Van het ene op het andere moment kan iedereen miljonair worden als je maar genoeg lef hebt. Leer van Henk Wijn hoe hij via een gedurfde actie miljonair werd.
Wat nou armoede! Het geld ligt toch voor het oprapen!
In de Amsterdamse Jordaan bewoonden Henk en Wilma Wijn en hun drie kinderen Peter, Flip en Marieke een vooroorlogse woning vol gebreken. Ze hadden het niet breed, ze moesten rond zien te komen van een bijstandsuitkering. Dat kwam doordat Henk een onverbeterlijke alcoholist was. Wilma noemde zijn alcoholisme ‘Henk’s handicap’, dat klonk een stuk vriendelijker dan zuiplap. Zo af en toe werkte Henk als opperman voor een zetbaas in de bouw, zwart natuurlijk. Gelijk na gedane arbeid investeerde Henk in de buurtkroeg zijn inkomsten in jenever en bier. Een slechte investering natuurlijk, het enige dat hij daaraan overhield was een kater. Hij had wel eens een halfslachtige poging gedaan om de alcohol te laten staan, maar dat werd niks.
Na een dag stenen te hebben gesjouwd naar de metselaars op de steigers rekende zetbaas Martin Staal zijn dagloon met hem af, zeventig euro had hij met acht uur sjouwen verdiend. De zetbaas spoog een grote fluim voor zijn voeten en liep naar de volgende zwartwerker.
Henk zat in gedachten al in zijn warme buurtkroeg: ‘De Pimpelaar’ van een kopstoot te genieten. Jaloers keek hij naar de Mercedes van Martin en zag op de achterbank een attachékoffer staan. Een onzichtbare hand duwde hem in de richting van de Mercedes. Martin stond een honderd meter verderop met een Pool ruzie te maken. Henk was geen dief, maar om de een of andere reden voelde het niet als diefstal toen hij de autodeur opentrok en de attachékoffer weggriste. Schielijk verliet hij het bouwterrein en liep naar zijn krakkemikkige Renault 4. Pas na twintig startpogingen sloeg de auto met horten en stoten aan.
In de verte hoorde hij geschreeuw, Martin stond naast een groepje bouwvakkers naar hem te wijzen. Henk trok van de kant op waarop Martin in zijn Mercedes sprong en achter hem aanreed.
Henk stuurde zijn wagen de drukke ringweg rond Amsterdam op en zag in zijn spiegel dat Martin hem volgde. Hij zat hem op de hielen, gelukkig maakte de verkeerstroom het Martin onmogelijk in te halen. Zonder richting aan te geven nam Martin de afrit Osdorp en reed de Ookmeerweg op. Voor hem reed een lijkwagen het terrein van begraafplaats Westgaarde op. Henk reed achter de wagen aan die stopte aan de zijkant van een gebouw. Vier kraaien stapten uit en schoven een doodskist op een trolley. Een kraai maakte een deur open waarop de trolley door hen naar binnen werd gereden.
Na enig zoeken vond Henk naast het gebouw een afgelegen parkeerplaats en klikte daar de attachékoffer open. Hij sloeg een hand voor zijn mond toen hij de inhoud zag, dikke stapels eurobiljetten werden door brede elastieken bij elkaar gehouden. Nooit eerder had hij zoveel geld bij elkaar gezien! Hij nam een bundel geld uit de koffer en maakte een voorzichtige schatting, dit is minstens vijftig mille, dacht Henk verbaasd. Hij telde de bundels en kwam aan eenentwintig bundels. Mijn God! Er zit minstens een miljoen in de koffer!
Hij voelde paniek opkomen, Martin zou dit geld echt niet zelf verdiend hebben, waarschijnlijk moest hij dit geld voor een drugsbaron witwassen! Gelukkig had Martin er geen idee van wie hij was, daar hadden zetbazen nooit belangstelling voor. Als hij uit zicht van Martin wist te blijven zat hij voor de rest van zijn leven geramd. Hij kon in een rustig dorp een kroeg kopen, daarmee zou een droom werkelijkheid worden. Maar hoe kon hij zijn nieuw verworven rijkdom in hemelsnaam aan zijn vrouw uitleggen? Zijn babbelzieke vrouw zou het nieuws binnen het uur aan alle buren en familie hebben verklapt en dan zou het niet lang duren eer hij Martin achter zich aan kreeg.
Voor het eerst sinds lange tijd werd Henk gedwongen na te denken. Vooral niet met geld smijten, bedacht Henk, dat valt teveel op. Maar wat dan? Geld op de bank zetten kon niet, dan kwam de Sociale Dienst geheid een hebberig praatje met hem maken. Hij trok twee biljetten van honderd euro tussen een stapel geld vandaan en stak die in zijn portefeuille. Dat was voorlopig genoeg om zijn dorst te lessen.
Hij schrok zich rot toen hij de Mercedes van Martin op nog geen tweehonderd meter afstand langzaam over het terrein zag rijden. Hij moest voor nu een veilige bergplaats voor het geld zien te vinden, maar waar in hemelsnaam!
Ineens flitste een briljant idee zijn hoofd binnen. Hij stapte uit zijn auto en liep met de attachékoffer het gebouw binnen. Henk zag vanaf de gang dat een kraai in ‘opbaarkamer vier’ het deksel van de doodskist losschroefde en opende. Namaakkaarsen in lange standaards zorgden voor sfeerverlichting.
Een kraai keek zijn kant op. ‘U mag wel binnenkomen mijnheer, wij zijn klaar met de opstelling!’
Henk trok een serieus gezicht en liep naar binnen.
‘U bent eigenlijk een paar uur te vroeg, het officiële afscheid nemen is altijd tussen zeven en half tien ’s avonds. Maar wij doen daar nooit moeilijk over. Bent u familie van mijnheer Joseph Hakfort?’ vroeg de kraai op zalvende toon.
‘Euh ja, ik ben zijn volle neef.’
‘Och, och, wat een droefenis! Gecondoleerd met uw verlies. U kunt bij vertrek het condoleanceregister tekenen als u wilt. Neemt u dan wel de hoofduitgang, u bent nu via de dienstingang het opbaargebouw binnengekomen.’
‘Zeker, dank u! Een vraagje, hoe lang blijft mijn oom opgebaard?’
‘In totaal drie dagen mijnheer.’ De kraai wenkte naar zijn drie collega’s. ‘Kom heren, wij gunnen mijnheer zijn privacy! Daarbij moeten we hoognodig met onze collega’s van dienst ruilen.’ De vier kraaien gaven Henk een afgemeten hoofdknikje en vertrokken.
Henk sloot de deur en drukte een stoel met de rugleuning onder de deurknop, hij wilde niet onverwachts gestoord worden. Hij trok het hoofdkussen onder het hoofd van de dode vandaan en ontdeed dat van de schuimrubber vulling. Daarna schoof hij zorgvuldig stapels geld in het hoofdkussen en dekte de bovenlaag af met een vel schuimrubber. Maar niet al het geld paste in het hoofdkussen, Henk moest ook de zakken van de dode met geld vullen om alles kwijt te kunnen. Het resterend schuimrubber borg hij in de attachékoffer op.
Zijn briljante idee bestond eruit dat hij de volgende dag op zoek zou gaan naar een veilige bergplaats voor het geld. Dan was het alleen nog maar een kwestie van buiten de officiële bezoekuren terug te keren om het geld weer uit de kist te halen, dan was hij de rest van zijn leven onder de pannen. Mocht het morgen niet lukken, dan had hij nog twee dagen de tijd om zijn plan uit te voeren. Simpele plannen werken het best, dacht Henk tevreden.
Henk scheurde uit het condoleanceregister de laatste pagina en schreef de naam van de dode en het nummer van de opbaarruimte op, dat was het nadeel van overmatig alcoholgebruik, je hield er een bar slecht geheugen aan over.
Netjes bracht hij de stoel weer terug naar zijn plek en verliet met de attachékoffer het opbaargebouw.
Buiten keek hij zorgvuldig om zich heen of hij ergens de Mercedes van Martin zag rondrijden, dat was niet het geval. Opgelucht reed hij weg om in: ‘De Pimpelaar’ na te gaan denken waar hij zijn pas verworven miljoen een veilig onderkomen kon gaan geven.
‘Wat ben je stil Henkie’, merkte kroegbaas Arnold op.
‘Ach ja, je hebt zo van die dagen’, was het nietszeggende antwoord van Henk die zijn blik van de televisie afwendde. Doe mij nog maar een jonge Arnold.’
‘Heb je geld?’
Henk graaide in zijn portefeuille en zwaaide met een honderd eurobiljet. ‘Zat!’
Arnold schonk zijn glas vol.
De uitzending van stadszender AT5 werd onderbroken. ‘Goedenavond kijkers’, zei de wulpse tv-omroepster, ‘wij kregen zojuist het bericht dat opnieuw een afrekening in het criminele circuit heeft plaatsgevonden. Op de Apollolaan is Martin S. met vier pistoolschoten om het leven gebracht. Martin S. is een oude bekende van justitie die ervan werd verdacht geld wit te wassen voor de onderwereld. Om half twaalf kunt u naar een eigen reportage kijken die onze cameraploeg op het plaats delict heeft gemaakt.’
Henk hoorde niets meer, hij gloeide van opwinding. Hij had geen gevaar meer te duchten, eindelijk lachte het geluk hem tegemoet. Hij kon veilig het leven van een miljonair gaan leiden! ‘Arnold! Een rondje voor de zaak!’
Henk parkeerde op Westgaarde zijn auto op dezelfde plek als de dag ervoor. Hij was niet van plan om via de hoofdingang het opbaargebouw te betreden, hoe minder mensen zich hem konden herinneren, hoe kleiner de kans dat hij alsnog tegen de lamp liep. Klokslag twee uur stopte een lijkwagen voor de dienstingang. Het ritueel van de dag ervoor herhaalde zich.
Henk liep met zijn attachékoffer het gebouw binnen, hij zou als diepbedroefde neef een wake naast de kist van zijn ‘oom’ gaan houden tot de kraaien vertrokken waren. Daarna was het een kwestie van zakken legen, Henk wist een glimlach op zijn gezicht te brengen. Voor de zekerheid las hij de notitie die hij had gemaakt: ‘Hakford, opbaarkamer vier.’ Hij trok zijn gezicht in de plooi en liep opbaarkamer binnen waar de vier kraaien van de dag ervoor druk doende waren met een nieuwe doodskist.
‘Wat zal ik nou beleven!’ riep Henk die een donderbui zag aankomen, ‘waar is mijn oom gebleven?’
‘Ach, u bent er weer! U moet zielsveel van uw oom gehouden hebben dat u van deze plek geen afscheid kunt nemen!’
‘Lul niet! Waar is mijn oom?’
‘Dat weet u toch! Mijnheer is vanochtend onder grote belangstelling gecremeerd. Het was een mooie uitvaartplechtigheid.’ De drie andere kraaien knikten instemmend.
‘Hoe kan dat nou? Mijn oom zou toch drie dagen opgebaard blijven?’
‘Jazeker, dat is ook gebeurd. Twee dagen is mijnheer thuis opgebaard geweest en één dag bij ons. Wat raar dat u daar geen weet van hebt mijnheer?’
Henk voelde een grote verslagenheid over zich heenkomen. ‘Dus, euh, dus alles is verbrand?’
‘Ja, dat is wel de bedoeling van een crematie.’
‘Shit, dat heb ik weer.’ Pisnijdig verliet Henk de opbaarruimte.
Vier lachende kraaien bleven achter, ze sloegen elkaar uitbundig op de schouders. ‘Wat een sukkelaar’, zei een kraai half stikkend van het lachen, ‘die klojo dacht werkelijk dat we geen bewakingscamera’s in dit gebouw zouden hebben.’
Zijn collega viel hem bij. ‘Nog een mazzel dat wij net op tijd de bewakingsdienst hadden overgenomen. Wat ga jij met al je poen doen Richard?’
‘Villa in Spanje kopen, en jij?’
‘Dat lijkt me ook wel wat. Of we kopen gezamenlijk een hotel in Spanje, dan kunnen we deze gribuszooi achter ons laten?’
Daar hadden de anderen kraaien wel oren na.
Laat een reactie achter
Neshni schreef op 05 Feb 2012 om 11:00
Wie had zo'n einde verwacht?!
Een duim voor dit prachtige verhaal! :)
theun50 schreef op 05 Feb 2012 om 11:50
Geweldig humoritisch geschreven. Ik heb genoten(met dubbel o).
Duim van mij erbij.
Taco-Veldstra schreef op 05 Feb 2012 om 11:58
Heel geestig geschreven het einde voelde ik wel aankomen! Duim taco
basgeldrop schreef op 07 Feb 2012 om 15:36
de 1 zijn dood is de ander zijn brood zeggen ze wellus.
jeffreyf16 schreef op 09 Feb 2012 om 22:30
Goed geschreven :) ben al benieuwd naar je volgende verhaal :-)
Mivak schreef op 15 Feb 2012 om 14:02
Leuk, grappig artikel. Je ziet het zo voor je! Een duim.
Lid sinds 8 maanden
1019 reacties geplaatst
688 artikelen beoordeeld
186 artikelen geschreven

Gerelateerde artikelen
Marinus beveelt aan
- Durf te vragen! De nieuwste sociale rage. (1)
- Verveling van een werkzoekende
- Eva Jinek leert ons framen en facen
- Wat vrouwen willen...
- Klokkenluider bijna onder de voet gelopen
- Multimiljonair zonder iets te doen!
- Ik zoek een vriendin!









Ingrid2 schreef op 04 Feb 2012 om 15:42
Haha boontje komt om zijn loontje!