Oude verhalen uit de vijftiger jaren. Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar voor veel mensen is het een feest van herkenning terwijl jongeren zich kunnen verbazen. Vroeger was het anders zijn verhalen uit die tijd.

Het geluid van de radio ging bij mijn moeder alleen maar harder als de Mario Lanzo of Maria Callas hun zangtalenten door de ether gooiden. Lyrisch was ze van deze klassiekers. Misschien was dat ook wel de drijfveer om mijn broer Ko, Piet en ook mij op te geven voor het kinderkoor. De kerk ging ineens modern doen en toen andere parochies kinderkoren in het leven riepen, kon ook onze conservatieve pastoor niet achter blijven. En dus werden héél veel roomse kinderen verplicht aangewezen om opgeleid te worden tot koorknaap of koormeisje. In menig huisgezin moet het brullen zijn geweest, want ook wij hadden niet veel zin om op te treden. Laat staan dat we zingen konden. Toch meende pastoor in mij een sopraan te horen terwijl Ko gebombardeerd werd als een bas. Hij mocht achterin het koortje staan brommen terwijl ik op mijn tenen moest staan om de hoogste noten te halen. In het verenigingsgebouw werd er twee keer per week geoefend. Twee keer niet buiten spelen en twee keer per week drama, want geen hond bij ons thuis, die deel uit wilde maken van een koortje. De toekomst werd er ook niet veel rooskleuriger op. Twee tot drie keer per week in de kerk zingen was niet bepaald het doel waarvoor wij opgeleid wilden worden. Uiteindelijk heeft mijn moeder de moed maar opgegeven en ons van het koor gehaald.

“En toch vind ik dat muziek een stuk van hun opvoeding moet zijn”, sprak ze tot mijn vader. Die knikte slechts en lurkte rustig door aan zijn pijp terwijl de rookwolken de kamer vulden. Hij had niks met muziek en ik heb hem ook nooit horen zingen of neuriën. Zelfs niet als hij een borrel teveel op had. Toen er ineens twee gitaren gekocht werden en één banjo keek mijn moeder weer vertederd naar haar jongens. Ze zag ons al op een podium furore maken. De snaren van de gitaren werden door ons nog wel beroerd, maar de banjo lieten we links liggen. “Da’s wel wat voor jou”, opperde mijn moeder. “Jan en Kjeld zijn er ook beroemd mee geworden met hun ‘banjo boy’ .
Ik wilde alles proberen maar geen banjo spelen. Nee, beslist niet. Geen dixielandachtig instrument. Mijn moeder had er lak aan, want ze gaf Ko en Piet een gitaar en hing bij mij de banjo om mijn nek. Vervolgens toverde ze enkele kleurige linten uit de kast en bond die vast aan de hals van de gitaren en mijn banjo. Ik pakte het groene lint, liet het door mijn handen glijden en bekeek het. Ik zag de lachende koppies van de Waikiki’s. In die tijd al oubollige bejaarden, die in een Hawaiiaans shirt de zon probeerden te laten schijnen. Ko had een blauw lint van Freddy Quinn en Piet een gele met Connie Froboess. 
“Zwaai eens?”, vroeg mijn moeder opgetogen.
We zwierden heen en weer met de muziekinstrumenten en de linten zwaaiden kleurig mee.
“Mooi…”, zei ze lyrisch, “zo mooi…!“
We stonden er als een stelletje schlemielen bij. Niet lang daarna speelden we de eerste akkoorden. Terwijl Ko vorderingen maakte, bleken Piet en ikzelf ‘a-muzikaal’ . We konden er geen hout van en alleen als we thans een borrel teveel op hebben, mogen we nog wel eens mee lallen met de meute.
Uiteindelijk heeft mijn moeder toch haar zin gehad. We traden als trio op tijdens een 25-jarig jubileum omdat mijn tante zolang in het nonnenklooster zat. Mijn moeder had zelfs een heel originele naam voor ons trio verzonnen. Trio Kopiege. Afgeleid van onze roepnamen. Ook de kleding nam ze voor haar rekening. We werden uitgedost als Mexicaanse muzikanten. Allemaal met een sombrero op en een groen crêpepapier jasje aan met een geel crêpepapier kraagje. Er was voor dit geweldige feest slechts één liedje ingestudeerd. De Nederlandse vertaling van het liedje van Eddie Hodgers “I’m gonna knock on your door’ . Heel herkenbaar klonk dit: “ik krijg de kous op m’n kop….”
Terwijl Ko de gitaar beroerde; hij kende tenslotte al vijf akkoorden uit zijn hoofd, maakte Piet lawaai met een tamboerijn en probeerde ik het ritme op te pakken met twee rood beschilderde sambaballen.
Het applaus was er niet minder om want als je entertainment wilde zien, had je Trio Kopiege moeten  inhuren.
Mijn moeder stond te springen van plezier en toen het applaus klonk, moesten we nog een diepe buiging maken om vervolgens twee deuren naast ons feestzaaltje, bij een onbekende andere non , die eveneens haar feestje vierde, een tweede optreden geven.
Nadat mijn moeder op een stemfluitje had geblazen en ons een teken gaf om gelijktijdig te beginnen, zongen we weer met hoogrode kleur “ik krijg de kous op mijn kop…”.
Dit publiek bleek kritischer want er werd tijdens het optreden gelachen en ik kreeg zelfs de indruk dat we belachelijk werden gemaakt. Ik stopte met het ritmische gezwaai van mijn sambaballen en Piet liep kwaad weg. Ko was de enige die nog een buiging maakte, maar na dit optreden hebben de gitaren thuis héél lang onaangeroerd aan de wand gehangen. De linten verstoften, Freddy Quinn en Connie Froboess zongen niet meer. De Waikiki’s deden nog wel een poging, maar die werden op een verzamel elpee gezet. Muzikaal is het met ons nooit wat geworden.
Een DVD-tje opzetten: dat gaat ons nog het beste af.
 

1
Word fan
Delen
Ongewenst

Laat een reactie achter

+0 -0- x

Kirsti schreef op 17 Jun 2011 om 14:43

haha prachtig verteld weer, heb je geen foto meer van het trio Kopiege had die graag willen zien. Ik heb vroeger jaren piano gespeeld, ook geen succes, te kleine handen kan niet goed bij alle akkoorden.

Reageren?

Registreer of log in om te reageren op een artikel.
Dit artikel bevat:
Toelichting: