Sommige mensen vechten tot de laatste snik. Sommigen zijn bang om te sterven. Of kunnen het leven niet loslaten of een bepaald facet ervan. Wat speelt er zich af in het hoofd van iemand die stervende is, wat zijn hun laatste gedachten?Waar halen ze de kracht om te blijven leven en niet los te laten? Is het angst? Is het de aardsheid die ze vasthoudt? Is er nog iets dat moet gebeuren? Of is het net dat laatste restje energie dat geen enkele andere manier meer heeft om zich te uiten. Dit verhaal werpt heel wat vragen op. Een ziekenhuisverhaal.

Tijd om te sterven: nooit!

Toen ik op dienst kwam, had ik al bij de briefing gehoord, hoeveel keer die patiënte aan de bel hing. Tot vervelens toe. De vrouw was een taaie negentiger, die in een eindterminaal stadium zat, maar nog vocht voor 10 leeuwen.
Toen ik s’morgens haar kamer binnenkwam, en ik zei: ‘Ik kom je wassen’ kwam er terstond een woordenvloed waarbij ze zei dat ze dit hoegenaamd niet zag zitten. Ze kon niet, had veel te veel pijn, ik mocht straks terugkomen. Iets om haar pijn te verlichten zat in al in haar infuus maar op de duur was het niet meer genoeg. Maar ik liet me natuurlijk niet afschepen, ik bleef vriendelijk en bleef aandringen. Neen, zei ze, nu niet. Toch een 10 à 15 minuten gediscussieer. Ik kreeg al direct door dat deze mevrouw gewend was haar zin te krijgen, maar ook in het verweer dat ze stelde dat het haar manier van communiceren was. Ik moest het anders aanpakken. Ik zei: ‘ Ok, maar als ik straks terugkom, kan je er niet meer onderuit.’ Ik liet haar dus time out.
Dat bleek de aanpak te zijn. Toen ik een drie kwartier later binnenkwam om haar te wassen, was haar verdediging weg maar dat wilde niet zeggen dat ze zweeg. Ze bleef commanderen, ze bleef overal opmerkingen op maken, het leek haar enige verweer te zijn en ze was eigenlijk gewoon twistziek. Ik hoorde het allemaal een beetje met de glimlach aan. En hoe moeilijk ze ook was, als je bleef op haar inpraten op een gematigde manier, liet ze je je gang gaan. Maar sommige verpleegsters kon ze echt niet hebben, één verkeerd woord en ze had ze in het vizier. Dan weigerde ze echt alles.
Maar hoe meer haar lichamelijke toestand verslechterde hoe meer ze zich ging verzetten, bij elke verzorgingsbehandeling die je moest doen. Het kwam zelfs zo ver dat voor je mocht beginnen wassen, ze eiste de dokters te zien, alle dokters aanwezig op de zaal. Ze genoot enorm van alle aandacht die ze kreeg, en rekte elke discussie tot een woordenstrijd die ze speelde als pingpong. Ze had geen ander verweer meer, dan haar frustratie te uiten op van alles en nog wat. Toch sprak ze nooit uit dat ze wou sterven, op een andere manier dan de normale. Ze sprak nooit uit dat ze palliatief beleid wou, of pijnstilling zodat ze tenminste  comfortabel was. Als je er over begon, zat ze direct in het verweer: ‘jij wil mij dood zeker? ‘
Al gauw kreeg ze het aan de stok met een nachtverpleegkundige. Die staat er immers alleen voor op dienst s’nachts. Als ze constant aan de bel hing, reageerde één bepaalde verpleegkundige nogal resoluut en kort. Dat stak haar enorm, ze kreeg ook geen kans om in discussie te gaan, ze hoorde alleen maar zeggen:’ Ik heb geen tijd, ik sta hier alleen, als je niets nodig hebt moet je niet bellen.’
Ze kon het niet laten niet te bellen. Dan had ze het maar aan de stok met die verpleegkundige. Maar s’morgens deed ze het hele verhaal van s’nachts. Hoe slecht ze was behandeld, dat ze niet werd geholpen, dat haar bel werd afgepakt, hoe die verpleegster snauwde enz… Dat verhaal deed ze elke morgend na die dienst van die ene verpleegkundige. We wisten allemaal dat het niet waar was. Ze barstte soms in tranen uit, als ze het vertelde tegen haar dokter. Ik besefte ergens dat ze met haar bellen en aandacht vragen gewoon gezelschap wou, ten alle prijze. Dat ze bang was om alleen te zijn. Dat ze dikwijls zomaar belde, een kussen weg onder haar rug, kussen weer weg. Dat haar enige verweer tegen de aftakeling nog was: ‘bellen’ en om aandacht vragen. Meer wou ze eigenlijk niet. Misschien dat ze zelfs wou tonen:’Hee, ik ben hier nog, neen, ik ben niet stervend, en ik ga niet dood.’ Maar ze sprak het nooit uit.
Nadat ze een week of twee het medisch personeel op dienst had geterroriseerd, was het aan mij om nachten te doen. Toen was ze al heel erg achteruit. Maar ze kende me natuurlijk van overdag en ja, ik had geen echte problemen met haar. Het is niet zo dat ik als haar bel beantwoordde, dit een garantie was, dat ze een minuut later niet terug ging bellen, want dat was niet zo. Maar ik probeerde toch steeds met een redelijk gevoel haar kamer te verlaten, mijn stem niet boos te laten klinken, want als ik dat zou doen, zou ik haar vertrouwen kwijt geraken en het zou haar ook pijn gedaan hebben.
Als de nacht opkwam werd ze bijna panisch van angst: ‘Wie heeft er nacht?’ Ik had al lang beseft dat deze vrouw, gewoon angstig was voor de dood, en de controle over haar leven niet kon loslaten en gewoon controle over al het onverwachte dat zich nog aandiende in de laatste fase van haar leven.
Bij mijn eerste nacht, bij aankomst, moest ik direct mijn gezicht laten zien, omdat ze onmiddellijk wou weten, wie er nacht had. Ik was blij voor haar dat ik het was en niet die andere verpleegkundige waar ze niet echt emotioneel bij terecht kon. Ze was ook heel bij met mij. Ik zei haar onmiddellijk heel opgewekt:’ Christine, wij zijn vrienden hee, we bekvechten al eens maar we blijven vrienden’. Ze was gerust nu. Dan ben ik gaan briefen.  Maar dat was natuurlijk geen garantie dat ze rustig zou zijn en niet bellen. Ze terroriseerde me evengoed en dikwijls ging ik met haar in discussie over dat ik niet constant bij haar kon blijven, maar nog een heleboel werk had. Ik moest dus goede afspraken maken. Met de bel op haar borst en een timer in haar handen, zat ze half uurtje dat ik zogenaamd moest werken, in het oog te houden, het half uurtje dat ik vrij had gevraagd van haar. Soms haalde ze dat half uurtje niet, en belde ze eerder. Soms was het langer dan een half uur en was ik blij dat ik nog wat had kunnen werken. Ik vermoed dat ze enorm veel pijn had, ze zei het ook steeds constant, maar als je over een spuitje begon ging ze direct in verzet. ‘Jij wil me vermoorden, jij wil niet dat ik genees’. Ik zei dat ik haar enkel wou helpen, maar dat wij het gewoon ‘anders’ zagen. Ook dat ik wel begreep dat ze nog echt wel wilde, maar dat haar lichaam niet meer meewerkte. Ze keek mij dan aan in ongeloof. 
Bij de opkomst van mijn tweede nacht werd ontdekt dat ze aan het leegbloeden was. Een papier werd geschreven niet meer te reanimeren. Er werd een drukverband opgelegd, en je zag haar ook meer en meer wegglijden. Ik moest opnieuw mijn gezicht laten zien want tegen de late dienst had ze gezegd: ‘ik herinner me haar niet meer.’ Ze heeft mij weer tot een uur 2 ‘geterroriseerd,’ met constant aan de bel te hangen. Als ik vroeg heb je pijn, wat kan ik doen om te helpen, antwoordde ze gewoon: ‘help mij, aub.’ Ze vroeg: ‘help mij uit bed’. Dit telkens opnieuw….ik had het eerst nog niet door. Ik antwoordde dat ze dat niet meer kon, dat ik het niet alleen kon, en ze eiste dat ik de dokters zou opbellen, ze zouden mij wel helpen. Ze had die laatste weken amper 5 minuten opgezeten.
Toen besefte ik iets anders, ik besefte dat ze nog iets had af te werken of gewoon niet kon loslaten. Dat het nog het enige ding was waar ze zich krampachtig aan vasthield: ‘wat was het?’
Ik ben daar met haar over begonnen. Ik vroeg haar: ‘Waarom vecht je nog zo? Waarom wil je zo erg   uit je bed? Is er nog iets dat je moet doen? Waarom kun je het niet loslaten?’
Ze antwoordde onmiddellijk in defensief: ‘ Jij wil me dood, daarom wil je mij ook altijd die spuitjes geven.’Maar er verschenen tranen in haar ogen, ze weende.
Ik ging rustig verder door. Ik zei dat ik haar enkel wou helpen, maar dat ik begreep dat ze die spuitjes absoluut niet wou, omdat ze dacht dat ze daarmee suf zou worden, en niet meer zou kunnen doen, wat haar bezig houdt.
Geen antwoord.
‘Heb je geen familie, iemand die bij je kan komen zitten?’ Ik zag haar liegen, toen ze nee knikte. Ze heeft een zus en een schoonbroer, haar enige dochter was verongelukt.  Zus en schoonbroer waren opgebeld diezelfde avond maar verkozen niet te komen. Als ze zou overlijden, konden we bellen overdag.  Dat op zich zei wel al iets.
Ze zei dus: ‘Geen familie, niemand’.
‘Waarom vecht je dan nog zo? Heb je nog iets te regelen?’ Ik bleef volhouden.  Toen zag ik haar breken en heel helder zei ze met één woord: ‘eigendommen’ met een eigenaardige glinstering in haar ogen. Weer de controle…Toen gleed ze weer weg (bloeding) en was ik haar heel even weer kwijt. Ze zei terug : ‘Help me, waarom help je me niet?’ Ik zei: ‘Christine, niet opnieuw hee….’ Ze werd even rustig.
Om een uur of drie hing ze terug constant  aan de bel, en ook roepen. Toen heb ik met haar het laatste zinnig gesprek gehad. Ik heb haar mijn hand gegeven en die heeft ze met twee handen vastgehouden een kwartier lang, en niet van plan te lossen. ‘Blijf bij me’, zei ze steeds.  (Ik wist toen dat als ze steeds riep: ‘help me’, gewoon bedoelde: ‘blijf bij me’) Toen heb ik haar zachtjes gezegd dat ze moest loslaten, dat ik nog werk had. Ze wou niet. Ik heb haar gezegd dat het voor mij even zwaar was, dat ik ze graag zou meenemen, bij haar blijven maar dat ik dat spijtig genoeg niet kon maar in gedachten bij haar bleef. Ze wou nog steeds niet maar ze had toen al dikwijls haar ogen toe. ‘Help me’…. zei ze steeds opnieuw…. Toen heb ik haar gezegd dat het voor mij ook heel moeilijk was, dat ik mijn werk niet meer rondkreeg, dat als ze mij niet losliet ik slechte punten zou halen, en zelfs mijn job in gevaar zou komen, door bij haar te blijven. ‘Dat wil ik niet’ Christel, zei ze. Ik verschoot eigenlijk, ze wist mijn naam nog. ‘Niet kwaad zijn’. Ze pakte mijn hand en keek me indringend aan. Ze was er dus nog heel goed bij. Ze liet me uiteindelijk los. Ik zei dat ik als ik kon terug bij haar zou komen, als ik door mijn werk was. Ze knikte met ogen toe. Toen zei ik haar: ‘laat het maar los Christine, je hebt lang genoeg gevochten. Je verdient je rust. Jouw voornaam begint met een C, de mijne ook, we zijn een goed team. Ik wreef zachtjes over haar gezicht en voorhoofd.  Ze deed haar ogen open en zag ze terug stil sluiten en ik zag dat het vechten voorbij was.’
Ben dan nog even verder kunnen gaan doen. Ben tussendoor nog gaan zien, maar ze was effectief bijna een uur en half stil. Net voor 5 uur, toen ik terug met medicatie en parameters  moest beginnen, hoorde ik haar roepen. Ben er nog even langsgegaan, ze was ook onmiddellijk gerustgesteld. Ze vroeg me: ‘heb je geweend? Ik zei: ‘Neen, maar wel bijna Christine’, … Het was weer zo een helder moment. Ze had me bijna zot gekregen, aangezien ik niet constant bij haar kon zijn, omwille van het werk op dienst.  Het was duidelijk dat ze ermee inzat, dat ze zo allemaal niet wou doen, dat ze dit allemaal niet expres deed.  Ik zei: ‘Vijf  minuten en dan ben ik weer even weg, dat weet je hee, Christine en heb opnieuw haar handen vastgehouden.  ‘Doe je ogen maar toe en laat het maar allemaal gaan…’ ik suste nog wat en zag ze weer rustig wegglijden….
Om een uur of zes hoorde ik waar roepen (bellen deed ze niet meer) maar ja, ik was nog bezig met van alles en nog wat….. ‘Help me, alstublief’. Steeds dat zinnetje opnieuw.
Om half zeven, of kwart voor zeven, ben ik gaan zien, en lag ze stil, waarschijnlijk in coma, ze zag enorm wit.
Ik dacht, volgende nacht zie ik ze niet meer.
Ik kom mijn derde nacht op. Ze was er nog. Ze was sinds het laatste gesprek met mij niet meer echt bewust geweest. Bij de briefing hoorde ik dat er een andere zus van haar zich had gemeld. We wisten niet van een derde zuster. De verpleging zei tegen die zuster aan de telefoon dat ze vlug zou moeten op bezoek komen want dat haar zus niet lang meer ging leven. Ik heb die zus nog gezien, die had ook haar zoon bij die het woord voerde.
Nu blijkt dat dus de eerste zus (waarvan we de telefoonnummer hadden) de andere zus niet had ingelicht over de toestand van de patient (zus).
De derde zus was gelijk overstuur en stond te wenen aan het bed. Mijn patient was niet meer wakker te krijgen, ze kreeg geen pijnstilling maar was in slaap, coma.. Ze heeft er dus ook niet meer met kunnen praten.
Ik vroeg omdat ik het moest, of ik mocht bellen midden in de nacht, als ze toch zou overlijden. De zus barstte nog maar eens in snikken uit. Van de zoon hoorde ik het verhaal. Ik vertelde hoe moeilijk zijn tante wel is geweest, tijdens haar verblijf hier op dienst. Dat ze de controle niet kon afgeven. Hij glimlachte en zei: ‘ja, zo is ze altijd geweest, graag in de belangstelling en wat zij wou moest gebeuren….’
‘We hadden altijd een goede band.’ snikte die ene zus ‘En nu is ze niet meer wakker te krijgen. ‘ Ze wilden niet blijven, die zus kon het duidelijk niet aan, ze kon er toch niets meer tegen zeggen.
Christine is ook niet meer wakker geweest. Ik ben dikwijls gaan kijken, ze heeft nog lang gevochten (ademen) maar ze leek toch rust te hebben gevonden.
Om vier uur s’nachts is ze overleden. Ik heb de laatste zus opgebeld. Ze gingen nog overkomen….
Ik heb echt mijn best gedaan, ze mooi te leggen en ze lag ook mooi. Het roze bloemetje tussen haar handen, een witte roos op het nachtkastje. Bij het opruimen vond ik foto’s. De 90 jarige vrouw als mooie jonge vrouw met blond krullend haar. Zo zag ik ze ook nog eens hoe ze vroeger was. Ten slotte heb je enkel dat laatste stukje van haar reis meegemaakt.
Ik hoorde later de zus hard wenen aan het bed….
Die zoon van haar heeft dan nog een babbel gedaan, over de machtsstrijd tussen de tantes (de drie zussen). Er was ook nog een broer maar die was uit het oog verloren.
Het heeft mij enorm aangegrepen, ben daar allemaal te gevoelig in. Maar toch ben ik blij voor haar dat ik  haar dat kleine stukje van die laatste levensweg heb kunnen begeleiden, en vooral dat ze op het laatst haar best deed voor mij, me af en toe met rust te laten en ook inzat met mij (heb je geweend?) Ze had achter die sterke bolster toch ook een stukje hart. En het leek ook voor haar belangrijk dat ik niet boos op haar was, ze wou mij ondanks haar bedillerige gedrag te vriend houden , dat scheen toch belangrijk te zijn voor haar.
Toen ik de vierde nacht opkwam vond ik het heel stil. Dikwijls ben ik voorbij die kamer gegaan met het gevoel: ‘Ze ligt er nog. Waarom belt ze nu niet? ‘ De bellen op de gang zwegen. Kon ik eigenlijk zeggen dat ik haar miste?
Als ik bezig was met mijn papieren, voelde tot tweemaal een aanwezigheid achter me en ik keek om maar zag niets. Ik voelde dat zij het was. Heel raar allemaal.
In mijn laatste en vijfde nacht kon ik het voor mezelf ook loslaten. De kamer verloor ‘haar’ betekenis van ‘haar niet aflatende’ aanwezigheid. Het leven gaat verder.
Ik hoop dat ik voor haar toch een klein verschil heb gemaakt. En ben blij dat ze toch rustig met vriendschap is overleden. Ik zal haar nooit vergeten.
 

4
Word fan
Delen
Ongewenst

Laat een reactie achter

+0 -0- x

Merel schreef op 01 Feb 2012 om 17:32

Indrukwekkend verhaal

+0 -0- x

HJZandman schreef op 01 Feb 2012 om 18:04

ze was eigenlijk gewoon twistziek
Met de dood voor de deur... tegenstribbelen helpt niet, maar een mens sterft zoals hij/zij heeft geleefd. Als HJzandman heb ik respect voor je, ik zal haar hier wel eens ontmoeten. Mooi hoe 'normaal' jij over de dood spreekt. Het is onderdeel van het leven

Reageren?

Registreer of log in om te reageren op een artikel.
Dit artikel bevat:
Toelichting: