"Aha, Hollander!" Een vriendelijk ogende oudere heer sprak mij kwiek toe. "Oui... ehhh, ja", zei ik met een vragende en weifelende zweem. "Sie sprechen Deutsch?" vroeg hij. "Ja sicher", was mijn school Duitse antwoord. Ik ontmoette hem op de rondgang van het Château de Pierrefonds. Eén van de vele kastelen die het Franse land rijk is.
Een imposant gebouw gelegen in de beboste heuvels van Pierrefonds, gelegen op zo'n tachtig kilometer ten noordoosten van Parijs.
De enorme burcht zag er opvallend goed uit. Was het door de eeuwen ongemoeid gelaten?
De man bespeurde mijn nieuwsgierigheid, "Schön, nicht?" vroeg hij.
"Ja schön" mompelde ik terug.
Hij begon zijn verhaal.
"Ach het kasteel is nog niet zo oud hoor, tenminste zoals het er nu staat.
Ja de oorsprong wel, die dateert uit 1393. Maar het was die verdammte Lodewijk de dertiende die het in 1616 de vernieling in hielp. Slechts een ruïne restte", vertelde hij.
"Vele eeuwen later, toen de aandacht van de Franse aristocratie voor romantische ruïnes groeide kocht Napoleon de eerste in 1810 dit 'vergeten kasteel'.
Het duurde daarna nog vele jaren voordat Napoleon de derde, 'der wahnsinnige Neffe' van Napoleon de eerste, en president van de tweede Republiek het idee kreeg om in 1857 dit magnifieke kasteel te laten herbouwen.
Hij heeft het alleen nooit voltooid zien worden, hij overleed in ballingschap in Engeland en pas rond 1890 was al het werk gereed."
De man kon werkelijk prachtig vertellen.
Ademloos absorbeerde ik zijn relaas.
"Excuus voor mijn matige Duits", zei hij beleefd, schijnbaar niet bewust van het gegeven dat dit tientallen malen beter was dan 'mein Deutsche sprache...'
Ik keek hem glimlachend aan en vroeg hoe hij als Fransman, want dat was hij toch, zo goed Duits had leren spreken.
"Mijn vrouw is Duitse, ik ben al meer dan zestig jaar met haar getrouwd, ze is verderop in het kasteel bij de expositie van Viollet-le-Duc, de architect, samen met haar broer en zijn vrouw."
Ik stond nog samen met hem buiten, op de erebinnenplaats, mijn familie liep ook al ergens in het kasteel, de Alexandertoren alias de marteltoren had hun bijzondere belangstelling.
Ik vroeg hem hoe hij dit allemaal wist en wat zijn beroep was.
Zijn ogen glommen, "Ik ben professeur."
Niet zeker of een 'professeur' gelijk was aan de Hollandse professor vroeg ik of hij doceerde op een universiteit.
Ja hij was Professeur d’Université de Paris, de Sorbonne, in de Franse literatuur.
En hij was nu in ruste.
Ja meer dan zestig jaar getrouwd, ik rekende eenvoudig uit dat hij ergens in de tachtig moest zijn.
Zo toonde hij zeker niet, grijs modieus ietwat warrig maar met zorg geknipt haar, een dunne perfect onderhouden snor, chique bruine schoenen en een mooi zwart leren jasje. Hij had wel iets weg van Toon Hermans.
Hij was een bevlogen verteller. Het was zo'n leraar die je van de eerste tot de laatste minuut niet meer los zou laten.
Heel af en toe lardeerde hij zijn vertelling met een Nederlands woord.
Ik vroeg hem of hij ook wat Nederlands sprak.
"Uhn kleinn beetzje" zei hij
"Onze taal is maar een kleine taal", zei ik.
"Ah, Hollandisch", zei hij, het was zo lang geleden.
Ik noemde optimistisch nog Vlaanderen, Suriname, Indonesië en de Nederlandse Antillen als plaatsen waar elders in de wereld nog een soort van Nederlands werd gesproken.
“En Suid Afrika!” zei hij stellig.
Hij mompelde enkele voor mij niet verstaanbaar Zuid Afrikaanse woorden.
“Bent u daar geweest of heeft u daar gewoond?”
Hij schudde weemoedig zijn hoofd.
Even dwaalde zijn blik naar de oude Franse kasseien.
Toen richtte hij zijn trotse hoofd op en bijna fluisterend zei hij: "lang, lang, heel lang geleden volgde een Zuid Afrikaanse studente mijn colleges".
Zijn ogen lichtten op.
"Sie war wunderschön, na bildschön!"
"Zij had de mooiste donkerste ogen waarin ik ooit heb mogen kijken en zij keek daarmee tot de diepste diepten van mijn ziel. Veel mooier nog, zij raakte mijn ziel, junge Mann!
Zij was het mooiste wat mij in mijn lange leven is overkomen, maar er was zo weinig gelegenheid, zo weinig tijd.
Het begon in de nazomer van '66 en ik was al zo veel jaren getrouwd.
Haar herinnering zal ik zolang ik leef koesteren in mijn hart.
Ik zal, kan en wens de kostbare momenten die ik met haar deelde nimmer uit mijn geest te verbannen. Ook nu nog geeft zij mij de kracht van het leven"
Het was het 'Hollands praten!' Het deed hem terugdenken aan zijn Afrikaanse...
Dichter dan dat kon hij bij de grote Zuid Afrikaanse liefde van zijn leven niet meer komen.
Zijn blauwe kijkers weerspiegelden de oude maar in zijn briljante geest nog vurig brandende affaire. Zijn hart bonkte hevig van vreugde en droefenis tegelijk.
Ik zag een fonkeling in zijn ogen.
Zag ik het goed?
Het leken tranen.
Smart om zijn verloren liefde. Het was zijn enige echte grote ware liefde geweest.
En zij was gegaan.
En nooit meer gekomen.
"Volg je dromen, junger Mann, ik zie dat jij ze hebt. Laat ze niet vervliegen Jungen!"
Zijn blik was veranderd, zijn vochtige ogen toonden berouw.
"Heeft u spijt?", ik schrok van mijn eigen vraag.
Droeg hij zijn leedwezen in stilte bij zich? Verstopt voor de wereld.
Vroeg hij zich af hoe anders zijn leven zou zijn geweest?
"Ja bedauern", zei hij.
"Spijt te voelen doet zo’n pijn"
"Je kunt het wel proberen, Jungen..., spijt proberen te voorkomen, maar geloof mij; zij die dat proberen voelen uiteindelijk de meeste spijt.
Hoe groter de verwachtingen des te groter de droefheid.
Je kunt spijt krijgen van die ene kus maar hoe groot zal je spijt zijn het niet te hebben geprobeerd?
Had ik maar... Jungen... er is geen perfecte keuze.
Bij twijfel moet je er voor gaan. De spijt van het wel hebben gedaan is veel minder dan de spijt van een gemiste kans.
Glaube Mir! Ich weiß!"
"Gérard! Gérard! Ah, da sind Sie!"
Een schelle stem riep zijn naam.
De professeur verstarde.
Hij keek om, om te zien hoe zijn vrouw aan de overzijde van de ereplaats druk stond te gebaren nu naar haar toe te komen.
Hij wuifde zo te komen.
Twee verse tranen welden op.
Met de rug van zijn hand depte hij zijn warme ogen droog.
Hij pakte mijn hand zei hij "Leef je droom, jungen... en in perfect Zuid Afrikaans volgde; Tot Siens"
De professor draaide mij zijn rug toe en liep zijn Duitse tegemoet.
Heel even nog haperde zijn tred.
Hij draaide zijn hoofd nog even naar mij toe, niet hoorbaar vormden zijn lippen de woorden "dank je wel."
Laat een reactie achter
DRIMPELS schreef op 11 Dec 2011 om 20:35
Prachtig zo,n verhaal met een ontmoeting om van te likkebaarden.
Waarom geen FOTO,s er tussen geplaatst dat had net dat beetje gedaan om het supper te maken.
Maar toch een dikke DUIM.
Want FAN was ik al.
DRIMPELS.
Roswitha78 schreef op 11 Dec 2011 om 21:17
erg mooi geschreven met een mooie boodschap.. dikke duim en fan er bij!
Lid sinds 5 maanden
0 reacties geplaatst
5 artikelen beoordeeld
5 artikelen geschreven










Kirsti schreef op 11 Dec 2011 om 20:06
Opnieuw een mooi verhaal met nog een mooie boodschap ook!