De ontwikkelingsfase die we als kind doorlopen bepaalt in grote maten ons manier van handelen als volwassenen


De zuigeling ( geboorte tot 1 ½ jaar)
De mate waarin je in staat bent andere warmte te geven, veiligheid te bieden en te vertrouwen, geeft aan hoeveel warmte veiligheid en vertrouwen jezelf hebt ondervonden toen je een baby was. De ontwikkelingsvaardigheden die je tussen je geboorte en de leeftijd van 1 1/2 moest leren waren: een band aangaan met degene die voor je zorgde en leren wat aandacht en vertrouwen zijn. Die band wordt wel eens gedefinieerd als het je lichamelijk veilig voelen bij je voornaamste verzorger, maar houd in feite veel meer in. Het is eerst en vooral een emotionele relatie met een ander menselijk wezen. Door die  lichamelijke en emotionele relatie ontwikkel je vertrouwen.

De geboortecyclus begint met de bevruchting en duurt ongeveer 5 jaar. De moeder is de heilige meester van deze cyclus. Ze geeft haar lessen aan het kind door via haar lichaam, door het voorbeeld te geven, leiding te geven, door haar energie en haar vibratie. Mannen met een moederinstinct weten hoe ze voor zich zelf moeten zorgen en hoe ze hun kinderen warmte moeten geven, maar de moeders zijn degene die dit verzorgende instinct doorgeven aan hun kinderen. Van lichaam tot lichaam.
Op basis van de relatie met je verzorger leg je de fundering voor de volgende ontwikkelingsfase, de fase waarin je je van hem losmaakt en de basis legt van je onafhankelijkheid. Van iemand waar je je nooit aan gehecht hebt, kun je je echter ook niet losmaken, van iemand waar je nooit afhankelijk van bent geweest, kun je ook niet onafhankelijk worden.

Je relatie met je moeder wordt ook de blauwdruk voor je latere intieme relaties. Als die eerste relatie zwak was, als je behoeften aan veiligheid, vertrouwen en warmte niet werden vervuld, kun je als volwassenen of bang worden van intimiteit of voor de vervulling van je behoeften altijd afhankelijk blijven van anderen. Als jou signalen als baby zijnde verkeerd werden begrepen of afgewezen zul je je waarschijnlijk nooit veilig hebben gevoelt en kon je je ook niet hechten aan je verzorger, en dus ook geen vertrouwen ontwikkelen.
Afhankelijkheid kan vermomd zijn als intimiteit  Door jou behoeften lopen dan ook veel relaties stuk, omdat de ander niet aan deze behoeften kan voldoen. Als een relatie wel stand houd weerspiegelen ze vaak de dynamiek tussen kinderen en ouder, omdat je er aan begonnen bent met de onvervulde behoefte van de zuigeling die je ooit was. Een andere mogelijkheid is dat je intimiteit vermijd uit angst gekwetst te worden als de relatie eenmaal een feit is. Je bent misschien bang dat je afgewezen, verlaten of slecht behandeld zult worden. Je bent bang dat een ander zal ontdekken wat jij allang vermoedt, namelijk dat je geen liefde waard bent, want anders hadden onze ouders er wel voor gezorgd dat we ons veilig en bemind hadden gevoeld. Onder deze gevoelens van onwaardigheid en schaamte schuilt de angst dat we in de steek gelaten, afgewezen of slecht behandeld zullen worden


Voorbeeldje van mijn eigen zuigelingenfase.
Voordat ik mijn eigen baby in me ontdekte, wist ik weinig van die periode af. Ik ontdekte haar tijdens een healing van Jomanda, waar ik mijn eigen geboorte herbeleefde. Het enige wat ik voor die tijd wist was dat mijn moeder ziek was en zoals mij verteld was bijna gestorven was door mijn geboorte
Tijdens het ontdekken van mijn eigen zuigeling in me, ontdekte ik waardoor ik zoveel angsten had om afgewezen te worden. Toen ik me zag voor mijn geboorte voelde ik al de angsten en verdriet die bij mijn moeder hoorde, maar doordat we een waren, waren deze angsten en verdriet ook mijn angsten en verdriet. Tijdens mijn geboorte was er ook een hoop paniek, ik werd 2 maanden te vroeg geboren en mijn moeder had griep en kreeg naar de geboorte trombose op de borst. Ik heb de eerste 2 maanden doorgebracht in een couveuse, waar ik me vaak heel eenzaam en alleen voelde, maar ook heel angstig. Deze ervaring zorgde ervoor dat ik mijn leven hier op aarde niet kon accepteren, en zo al leerde om dit leven geestelijk te kunnen ontvluchten naar plaatsen waar ik me wel veilig voelde. Doordat ik me niet heb kunnen hechten aan mijn moeder, heb ik ook niet geleerd hoe ik me er van los kon maken, zodat ook de emoties die ik toen van haar heb overgenomen, altijd bij me zijn gebleven.

De Peuter 1 1/2 tot 3 jaar


Onze peutertijd was de eerste periode in onze ontwikkeling waarin we goed genoeg uit de voeten konden om van degene die voor ons zorgde weg te lopen en goed genoeg konden praten om te protesteren en dingen te weigeren. Het was een tijd waarin de overgang van afhankelijkheid naar zelfstandigheid begon.
Nu is dat een proces wat heel ons leven doorgaat, maar in die tijd was het van wezenlijk belang: om een duidelijk besef te krijgen van wie JIJ was, moest je leren hoe je grenzen moest trekken - en handhaven. Grenzen zijn emotionele en lichamelijke scheidingslijnen tussen ons en wie voor ons zorgen. Om zelfstandig te worden was het noodzakelijk dat we voelde dat we een zekere macht over onszelf en onze omgeving hadden, en om dat gevoel te krijgen moesten we NEE  leren zeggen.
We leerden allerlei dingen aan, maar we leerden ook hoe we allerlei dingen konden weigeren. Het feit dat degene die voor ons zorgde zeiden dat we dit of dat moesten doen, betekende niet dat het ook perse moest.

Ze konden tegen ons zeggen "doe je jas aan"en dan konden wij NEE zeggen. Ze konden zeggen 'eet je bord leeg" en weer konden wij NEE zeggen. Door nee te zeggen trokken we een grens. Het was een manier waarop we onze zelfstandigheid duidelijk konden maken. We leerden bovendien ook dat we JA konden zeggen, en het feit dat we konden kiezen maakte ons gevoel en onafhankelijkheid nog groter. Ook door het nee van de volwassenen in onze omgeving leerde we wat grenzen waren. Hun nee gaf ons een begrenzing, gaf ons een idee dat er iets van ons verwacht werd. Het was ook een manier om te leren voelen dat er een scheiding bestond tussen onszelf en de omgeving. Als ze tegen ons zeiden dat we de kachel niet aan mochten raken omdat deze heet was, hielp dat ons onze eigen grenzen te leren kennen.
Als ze tegen ons zeiden dat we niet te ruw met andere kinderen mochten omgaan, leerden ze ons iets over de grenzen van anderen. Door dit nee, ons eigen nee, en dat van anderen, konden we gaan experimenteren: toegeven en afhankelijk zijn of weerstand bieden en onafhankelijk zijn.

Deze fase kan vanwege de strijd tussen verzorger en peuter zeer vermoeiend zijn voor de verzorger, maar is voor de ontwikkeling van het kind van cruciaal belang. Zonder dit gevecht met je ouders kun je nooit aan deze zeer belangrijke overgang naar zelfstandigheid beginnen. Om te kunnen aarzelen tussen afhankelijkheid en zelfstandigheid had je ook aanmoediging nodig. Je moest de mogelijkheid hebben je te gedragen als een groot kind, maar je moest ook afhankelijk kunnen zijn. Je had een complimentje nodig wanneer je je alleen aankleedde of zelf at, en begrip wanneer je daar geen zin in had. Je moest weten dat je nee kon zeggen zonder dat je straf kreeg, en je moest nee te horen krijgen als dat voor jou eigen veiligheid noodzakelijk was. Er zijn maar weinig mensen die die aanmoedigingen hebben gekregen, want daarvoor moesten je verzorgers bereid zijn je los te laten.

Meestal stonden ze daar tweeslachtig tegenover en gaven daarom dubbele boodschappen over zelfstandig handelen.Omdat ze hun eigen grenzen niet goed kenden, konden ze ons ook niet helpen onze grenzen te trekken en te handhaven. Die dubbelslachtigheid en verwarring kwam voort uit hun behoefte je of dichtbij en afhankelijk te houden of weg te duwen en te dwingen tot grotere zelfstandigheid. Sommige ouders gaan hier op een subtiele manier mee om, andere waren agressiever. De manier waarop zij met hun verwarring omgingen was van grote invloed op de mate waarin jij slaagde de vaardigheden van deze fase eigen te maken. Als bv degene die voor jou zorgde iedere keer dat jij nee zei, vertelde dat ze verdriet had daardoor, zich afgewezen voelde of bang was dat hij of zei het gezag over je verloor, zul je deze vaardigheden waarschijnlijk niet goed onder de knie hebben gekregen. Je zult, toen je eenmaal begrepen had dat je geen uiting kon geven aan je afhankelijkheid zonder andere verdriet te doen geleerd hebben je individualiteit te onderdrukken en je te gedragen zoals die ander van je verwachtte.


De boodschap die je kreeg was dat de behoeften van je verzorgers belangrijker waren dan die van jou. De vervulling van je eigen behoeftes opofferen voor de vervulling van die van een ander wordt dan een patroon dat je tot in je volwassen leven en tot in iedere intieme relatie die je aangaat, blijft achtervolgen. Als je, als je onafhankelijk probeerde te zijn, uitgelachen, geslagen of aan je lot overgelaten werd, reageerde je misschien daarop met rebellie, een woedeaanval of je in jezelf terugtrekken. Dat leidde dan vervolgens tot verdere vernederingen, in de steek gelaten worden of straf. Waarschijnlijk zal dan op volwassen leeftijd je behoefte aan onafhankelijkheid de angst oproepen dat dat weer zal gebeuren. Afhankelijk blijven kun je echter ook niet, omdat dat leidt tot een gevoel van verstikking en ontevredenheid. Als daarentegen degene die voor je zorgt juist graag wilde dat je zelfstandig werd, zul je die scheidingslijn tussen jou en de ander misschien hebben moeten trekken terwijl je daar eigenlijk nog niet aan toe was. In beide gevallen zal het trauma even groot zijn.


Mogelijke problemen uit deze ontwikkelingsfase:
Geen nee kunnen zeggen tegen vrienden uit angst dat ze je niet meer mogen
Geen grenzen kunnen stellen in je werk uit angst voor ontslag
Het moeilijk vinden om te vertellen hoe je je voelt uit angst dat je vernederd of afgewezen zult worden
Het benauwd krijgen als iemand te dichtbij komt (lichamelijk, gevoelens)
Je te kort voelen schieten als je een vriend of vriendin die van streek is niet kan opbeuren


De Kleuter 3 tot 6 jaar
Wat je van jezelf en je lichaam vindt en hoe je met de positieve en negatieve kanten van jezelf en anderen omgaat, hangt samen met wat je op dit gebied geleerd hebt toen je tussen de 3 en 6 jaar oud was. In deze periode leerde je voor het eerst het verschil tussen goed en fout gedrag. Als je lief was (als je je gedroeg zoals de volwassenen in je leven verwachtte en wilde dat je je gedroeg) werd je beloond. Als je stout was (je gedroeg op een manier die voor deze volwassenen onaanvaardbaar was), kreeg je straf.
Een beloning was bijvoorbeeld een complimentje, snoepgoed, speelgoed of een uitstapje. Straffen konden op emotioneel vlak liggen - misschien werd je uitgelachen of geplaagd, of deden je ouders net of je er niet was. - of lichamelijk van aard zijn - misschien kreeg je een pak slaag of een draai om je oren of werd je naar je kamer gestuurd.

Omdat je bang was voor straf en graag zo'n beloning kreeg, leerde je al snel wat acceptabel was en wat niet. De tijd tussen 3 en 6 was een delicate periode. Het was de tijd waarin de fundering werd gelegd voor je gevoel van eigenwaarde. Als je leerde dat je in principe goed was, ook al deed je af en toe iets stouts, heeft je gevoel van eigenwaarde waarschijnlijk een stevige basis. Als volwassene kun je dan fouten maken zonder het gevoel te hebben dat je slecht bent, net zoals een kind dat heeft.  Als je als kind daarentegen voortdurend te horen kreeg hoe slecht je was, zal je gevoel van eigenwaarde daar verschrikkelijk onder geleden hebben. het kan heel goed dat je daardoor bent opgegroeid bent met het idee dat je altijd slecht zou blijven. 

Als volwassenen ben je dan waarschijnlijk heel bang om een fout te maken, want iedere fout bevestigd deze gevoelens en tast je gevoel van eigenwaarde nog verder aan. Dit gebrekkige gevoel van eigenwaarde wordt de kern van je schaamtegevoel. Je schaamt je als je het gevoel hebt dat je niet goed genoeg bent of geen liefde waard bent. Ik denk dat schaamtegevoelens zich ontwikkelen als reactie op angst. Je bent bang dat je in de steek gelaten zult worden omdat je geen liefde waard bent. Als je een jaar of drie bent, ga je uitzoeken hoe je met andere mensen om moet gaan. Je weet wat je moet doen om te krijgen wat je nodig hebt. Als er echter alcohol problemen of andere stoornissen waren in het gezin waar je bent opgegroeid, zijn je behoeften waarschijnlijk niet vervuld - ze werden genegeerd of konden gewoon niet vervuld worden. het kan zijn dat je uitgelachen of uitgescholden werd omdat je behoeften had. De woorden die anderen voor jou gebruikten, werden de fundering voor hoe jij jezelf zag. Als ze zeiden dat je slecht was, ging je geloven dat je slecht was. Als ze zeiden dat je dom was, ging je geloven dat je dom was. Een groot deel van de negatieve dingen die je als volwassenen tegen jezelf zegt, stammen uit die periode van je leven. De schaamtegevoelens, de drang naar perfectie, de kritiek die je op jezelf en anderen hebt en je zwart - wit denken komen allemaal uit deze ontwikkelingsfase.

Mogelijke problemen uit deze ontwikkelingsfase:

* Je generen voor je lichaam
* Zeer veel kritiek hebben op jezelf - vol schaamtegevoelens zitten
* Seks gebruiken om je dichterbij een ander te voelen, omdat je geen andere manier kent
* Drang tot perfectie
* Onverdraagzaamheid jegens anderen

Copyright 2010© Nederland Gerda Verstraeten

http://www.xead.nl/wie-en-wat-zijn-innerlijke-kinderen
http://www.xead.nl/kennismaken-met-je-innerlijke-kinderen
http://www.xead.nl/ontwikkelingfase-innerlijke-kinderen-deel-2
http://www.xead.nl/ontwikkelingfase-innerlijke-kinderen-deel-3
http://www.xead.nl/methodes-om-met-je-innerlijke-kind-te-werken

http://chayenna.jouwpagina.nl

http://www.stemmenhoren.com

9
Word fan
Delen
Ongewenst

Laat een reactie achter

+0 -0- x

interjos schreef op 09 Oct 2011 om 12:59

Leuk en informatief artikel, goed geschreven !

Reageren?

Registreer of log in om te reageren op een artikel.
Dit artikel bevat:
Toelichting: