een verzonnen mythe over het onstaan van de wereld
Het verhaal van de wereld
In het begin was de Aarde een grote rotsklomp
Toen de Almachtige Beeldhouwer op een dag deze rotsklomp tegenkwam, overviel hem een geweldige scheppingsdrang.
Hij pakte zijn gereedschap en ging onverwijld aan de slag.
Hij hakte en schuurde en polijstte een eeuwigheid.
Hij hijgde van inspanning en het zweet droop van 'm af.
In kleine beekjes liep het over de rots.
Toen hij ophield, stond daar de eerste eikenboom.
Hij bekeek de boom tevreden en blies hem leven in.
En de eik werd groen, zijn takken soepel en de adem van de Beeldhouwer ruiste door zijn bladeren.
De Beeldhouwer ging in de schaduw van de boom zitten rusten.
En terwijl hij daar zat, verzuchtte hij: "scheppen is zwaar werken."
Hij keek om zich heen
Rondom hem lagen allemaal brokken steen, kiezels en gruis.
Plotseling kreeg hij een idee: hij raapte een handvol gruis en kiezels op, blies ze leven in en ze veranderden in zaden die meteen begonnen te kiemen.
Zo kwamen de planten in de wereld.
Het werd donker en hij maakte zichzelf een bed van varens om te slapen.
Hij sliep een slaap vol prachtige dromen en toen de zon opkwam, greep hij meteen naar zijn gereedschap.
Hij beeldhouwde allerlei verschillende dieren, de olifant, de muis, de koe, de leeuw en al die andere dieren die nu op aarde rondlopen.
En het zweet liep in straaltjes van hem af, de straaltjes werden en de beekjes rivieren. Meren en plassen vormden zich om hem heen.
De zon brandde op zijn hoofd en hij besloot even pauze te nemen.
Hij ging in de schaduw van de eik zitten en deed een middagdutje.
En in zijn slaap kreeg hij weer een geweldig idee - hij hakte van alle dieren die hij bedacht had een kopie, nou ja, bijna dan, hij maakte van elke diersoort mannetjes en vrouwtjes. Toen hij ze leven ingeblazen had, was hij tevreden, want de dieren plantten zichzelf voort, zodat hij er niet méér hoefde te hakken.
Toen hij daar zo tevreden om zich heen keek, zag hij dat zijn zweet meren, rivieren en zelfs zeeën had gevormd. En de zon verwarmde de zeeën en de eerste wolken vormden zich en de eerste regen viel en spoelde het stof van de Grote Beeldhouwer. Verfrist ging hij weer aan het werk.
De zee inspireerde hem, hij maakte vissen, octopussen, zeehonden en walvissen. En om al die dieren van voedsel te voorzien gebruikte hij het gruis en de kiezels die overbleven: hij blies het leven in en strooide gul in het rond, de zee wemelde van krabbetjes, garnalen en schelpen.
Uitgelaten sprong hij in zee en zwom tot de zee golfde en schuimde, zoals ze nu nog steeds doet.
Toen hij uit het water kwam, deed hij een middagdutje op het strand in de zon. Hij ontwaakte in een goed humeur en wilde zich niet al te moe maken.
Daarom zocht hij wat grote en kleine stenen en polijstte ze tot het mooie gladde eieren waren. Toen hij ze leven inblies, kwamen er allerlei vogels uit en slangen en hagedissen. En omdat die ook eten moesten, pakt hij een hand gruis en steentjes en wekte ze met zijn adem tot leven: spinnetjes, vliegen en torren, wormen en slakken krioelden tussen zijn vingers door en zochten zich een weg tussen de planten.
Hij keek om zich heen, alles zag er prachtig uit, maar toch miste hij er nog iets aan. Hij sliep er een nachtje over, en terwijl hij sliep droomde hij over een wezen dat op hem leek - hij werd met een schok wakker, het begon al licht te worden en hij besloot meteen aan de slag te gaan. Met beitel en hamer hakte hij het wezen uit dat hij in zijn droom gezien had.
Hij noemde het Maranoeka, dat betekent 'gelijkend op de meester".
Het was een wezen met vier armen, vier benen en twee hoofden.
En De Grote Beeldhouwer dacht fijn, nou heb ik iemand om mee te praten, samen te werken en grapjes te maken. En hij begon Maranoeka les te geven.
Maar naar mate Maranoeka veel geleerd had wat er te leren was, ging het mis…
Maranoeka vond al gauw dat hij net zo'n groot kunstenaar was als de meester en wilde zelf dingen scheppen, maar de Grote Beeldhouwer wilde hem geen eigen gereedschap geven. Hij was vond dat Maranoeka eerst nog moest oefenen in het dromen. En Maranoeka werd daar steeds bozer over.
Op een nacht sloop hij naar de gereedschapstas en pikte een hamer en een beitel. Maar zijn droom was een boze droom geweest en toen hij zijn schepping leven inblies stond daar een reusachtig vuurspuwend monster, dat allesverwoestend rondstampte.
De grote beeldhouwer schrok wakker en besefte meteen wat er gebeurd was. Hij greep zijn gereedschap en hakte een reusachtige slang. Hij blies hem leven in en slingerde hem om de nek van het monster.
En de slang perste en kneep zo onverbiddelijk dat zijn vuur doofde en het dier geen lucht meer kreeg. Toen het monster dood was veranderde het weer in rots (- het is lang geleden, en weer en regen hebben de rotsen af gesleten, maar nog steeds noemen mensen de grote rots ten noorden van de rivier niet voor niets de Drakenrots ! )
Toen ging hij op zoek naar Maranoeka en hij vond hem bibberend in een grot.
Toen hij tevoorschijn getrokken had, dacht hij dat Maranoeka zijn lesje wel geleerd zou hebben en waarschuwde hem alleen om nóóit meer op eigen houtje te gaan hakken. Eerst moest hij goed leren dromen.
Een tijdlang ging het goed, maar op een kwade dag droomde Maranoeka iets dat de hele wereld zou veranderen. Hij werd wakker en dacht " als ik nou iets maak, dat heel klein is - dan heb ik geen gereedschap nodig en de Grote Beeldhouwer zal het niet eens opmerken"
Meteen sloop hij naar de rotsgroeve, pakte een handvol van het fijnste stof dat hij kon vinden en blies het leven in. En zo kwam het onzichtbare in de wereld, en daarmee de ziektes en plagen die ons tot op de dag van vandaag belagen. Dieren werden ziek, planten kregen dorre bladeren en zelfs de Grote beeldhouwer werd wakker met een pijnlijke keel.
Zijn woede was verschrikkelijk.
Hij stuurde de grote slang op Maranoeka af en toen die hem gevonden had, drukte hij alle lucht uit Maranoeka en veranderde hem weer in rots.
Peinzend stond de Grote beeldhouwer bij het beeld van Maranoeka.
"toch is het jammer" dacht hij "als hij nou maar wat meer geduld had gehad'
En hij besloot Maranoeka nog een kans te geven. Hij pakte zijn grootste beitel en hakte het beeld met een geweldige klap doormidden.
Toen blies hij de twee beelden leven in en noemde ze Mani en Itou, wat zoveel betekent als Waakhelft en Droomhelft.
En hij zei tegen ze: "Jullie zullen je voortplanten als de dieren, en grote volkeren vormen. Omdat jullie gescheiden zijn zullen jullie nooit de volmaakte schepping kunnen maken.
Maar ik wil jullie toch een kans wil geven om de volmaaktheid te bereiken.
Als twee helften ooit echt een eenheid weten te vormen, zullen jullie de scheppers van een nieuw heelal worden."
Toen verliet de Grote Beeldhouwer de aarde en ging op zoek naar nieuwe uitdagingen.
Wij mensen bleven hier achter.
En zochten onze wederhelften.
In die zoektocht vormden we grote volkeren.
Dat maakt het zoeken er niet makkelijker op.
Maar iedere dag is een dag waarop het kan gebeuren….
Laat een reactie achter
Lid sinds 1 jaar
0 reacties geplaatst
0 artikelen beoordeeld
3 artikelen geschreven









Ruud schreef op 11 Mar 2011 om 17:51
Heel mooi verhaal! Goed bedacht.