Toen het geheugen van mijn moeder haar in de steek begon te laten, legden mijn broers en ik een logboek aan, zodat we bij bezoek ongeveer wisten, waar we aan toe waren. Die logboeken heb ik gebruikt om het volgende geanonimiseerde verhaal te schrijven. Hoe ik de laatste tien jaar van het leven van mijn moeder beleefde.

1


Bij hoge uitzondering heb ik in 1989 carnaval gevierd. Ik was destijds lid van een toneelvereniging en we hadden besloten ons samen in het feestgedruis te storten. Ik ben daar geen held in, want ik kan maar moeilijk uit mijn dak gaan. De vriendin van een medespeelster van me ging ook mee. Ze heette Adriënne. Vier jaar later trouwde ik met haar. Na mijn eerste huwelijk, dat na elf jaar op de klippen was gelopen, had ik negen jaar alleen gewoond. Had af en toe een vriendin, maar dat had niet tot iets blijvends ge­leid. Een jaar later heb ik Adriënne aan mijn moeder en ook aan mijn drie broers voorgesteld. Dat was toen mijn moeder 84 jaar werd. Bij mijn drie broers was meewarigheid troef. Waarom zou zij wèl een blij­vertje zijn? Ze waren netjes met hun eerste vrouw getrouwd gebleven. Onder die meewarig­heid klonk ook een tikkeltje jaloezie door. Adriënne was acht jaar jonger dan ik en ik was de jongste thuis, dus ze oogde heel wat jeugdiger dan mijn overigens beminde schoonzussen.
Moeder was al vanaf 1974 weduwe en ik kwam re­gelmatig bij haar op bezoek, ook vóórdat ik Adriënne had leren kennen. Soms alleen, soms met mijn zonen Egbert en Govert. Op een keer kwam ik bij haar aan, toen mijn oudste broer Karel er was. Met zijn schoonvader, die pas weduwnaar was geworden. Ze stonden op het punt van vertrekken, toen ik aankwam. Ze namen afscheid en ze waren net de deur uit, toen ik tegen moeder zei: ‘Heb je dat niet gezien?’ ‘Wat?’, zei ze. Ik zeg: ‘Heb je niet gezien, dat die man smoorverliefd op je is. Het lijkt me een mooie taak om hem een gezellige levensavond te bezorgen.’ ‘Ik, niet’, zei ze, ‘trouwen is één keer genoeg in je leven.’
Ja, haar leven was niet makkelijk geweest en haar le­vensavond zou het niet worden ook. Ze woonde alleen en dat ging haar nog redelijk af. Toch maakte ik samen met mijn broers af­spraken om het be­zoek aan haar wat te spreiden om te voorkomen, dat het ene weekend niemand kwam en het an­dere iedereen. Ik werkte in die periode parttime bij een instituut, dat onderzoek deed naar zaken, die zich op het snijvlak van zorg en welzijn af­speelden. Daarnaast deed ik klussen in de free lance sfeer. Voor­zetten voor be­leidsnota’s en zo, om in ietwat ingedom­melde welzijns­instellingen weer een frisse wind te doen waaien.
Egbert en Govert waren om de veertien dagen een weekend bij mij, maar ook door de week. Op woensdagmiddag haalde ik ze dan van school om ze de donderdagochtend daarna er weer af te zetten. Ik nam ze ook regelmatig mee naar moe­der. Ik belde haar dan op, dat ik met de kinderen zou komen: ‘Schrijf het maar meteen op een geel briefje en plak het op het buffet’. Toen ik aankwam zag ik inderdaad keurig het briefje met de tekst: ‘Wim en de kinderen zater­dag’. Er hing ook een briefje naast. Daarop stond: ‘Donderdag vergeetcursus’. Die cursus was een initiatief van het ouderenwerk in Nieuwepolder, het dorp, waar ze woonde. Een briefje om de vergeetcursus niet te vergeten. Wanneer ik in het weekend met Egbert en Govert bij moeder kwam, deed ik inkopen in de supermarkt en maakte een smakelijk maal klaar. Aan haar eetlust was te mer­ken, dat het qua eten door de week maar behelpen was. Later kwam ik minder vaak en dat had met zowel werk als privé te maken. Adriënne had een zoon en een dochter uit een eerder hu­welijk. Ze waren iets jonger dan mijn zonen. Het was wennen om ze meer nog dan mijn eigen kin­deren om me heen te hebben, zeker toen ik met haar samen ging wonen.
Ik deed, als gezegd, aan toneel en speelde onder andere in een stuk van Alan Ayckbourn, dat bestond uit vijf afzonderlijke eenakters, dat hij de titel ‘Verwarringen’ had meegeven. Naast mijn werk was ik ook nog steeds free lance bezig. Samen met een collega verzorgde ik een zogenoemde toekomstwerk­plaats, een methode om onder het perso­neel van een instelling consensus te creëren. Het leverde me als beloning een interessante reis naar Berlijn op, waar enkele dagen vóór de officiële Duitse eenwording al viel te constateren, dat het met de ‘Einigkeit und Recht und Freiheit’ niet allemaal rozengeur en maneschijn zou worden.
Door de week hielden mijn broers Piet en Jan een oogje in het zeil. Ze woonden in Nieuwepolder. In het weekend kwamen meest Karel of ik. Karel stalde regelmatig zijn hond bij moeder, wanneer hij met vrouw en kinderen weer eens op winter­sport ging. Het beest werd door moeder stront­verwend. Zelfs de lever­worst, die Karel als voed­sel had achtergelaten, had hij van zijn kynologi­sche menu geschrapt. Slapen deed hij bij moeder op de slaapkamer. Het was een kleine moeite om hem aan het keffen te krijgen, omdat hij het bij het minste of geringste opnam voor zijn tijdelijke bazin.


2


Begin jaren negentig vroeg men mij onderzoek te doen in het kader van het anti-armoedebeleid van de Europese Unie. Hier en daar strooide de Europese Commissie in Europa met geld, dat gebruikt werd om armoede te bestrijden. Zo ook in Nederland en onderzoek was nodig om te laten zien, wat er met dat geld gebeurde. Waar ik in Nederland ook kwam, overal wist men me te vertellen, dat met dat Europees geld uitstekende dingen werden gedaan. Aan mij de taak op te schrijven, hoe ge­weldig dat allemaal was. Een onwelkome bood­schap was daarbij niet welkom.
In dezelfde jaren werd gaandeweg duidelijk, dat er iets aan de verzorging van moeder moest worden gedaan. Het voor zichzelf zorgen ging haar moeilijker af en dat bracht Karel ertoe om er zich mee te gaan bemoeien. Hij wilde, dat de wijkverpleging langs kwam om moeder gere­geld te wassen. Moeder verzette zich daar hevig tegen en wel op een emotionele manier: ‘Als ze me te na komen, doe ik de deur op slot.’
Moeder was een vrouw, die in goede tijden haar gezin runde als een éénmansbedrijf en dan valt het moeilijk te accepteren, dat je op de zorg van een ander bent aangewezen. Ook in rationele zin stond ze voor een drempel, want als je toegeeft, dat je niet meer voor jezelf kunt zorgen, laat je ook de gedachte toe, dat het begin van het einde in zicht is. Uiteindelijk ging ze overstag en liet ze zich door een wijkverpleegster wassen. Toen dat eenmaal gebeurd was, zei ze: ‘Bel Karel maar op, om te zeggen, dat ie zijn zin heeft gekregen.’ En ze toonde zich daarmee een goede verliezer.
Dat is dan ge­regeld, zou je denken, maar er was meer. Ik kwam een keer met Egbert en Govert bij haar aan en zag, dat de oven al geruime tijd op de hoogste stand stond. Ze wilde voor mij en de kinderen worstenbroodjes bakken, maar was dat na het aansteken van de oven kennelijk vergeten. Aan haar eetlust in het weekend was ook al te merken, dat de voedselvoorziening door de week op een laag pitje stond. ‘Tafeltje dek je’ werd ingeschakeld en dat ging enige tijd goed tot we, als we bij haar op bezoek waren, het eten geregeld beschimmeld aantroffen. Ik heb verschillende keren bedorven voedsel in de kliko moeten kieperen.
Met enige goede wil waren voor problemen met haar persoonlijke verzorging en voor het eten oplossingen te bedenken. Dat werd anders, toen opeens 1200 gulden zoek bleek te zijn. Daar kwam mijn broer Piet, die ook in Nieuwe­polder woonde, achter. Er waren drie betaalcheques van 300 gulden zoek en meer dan 300 gul­den aan contant geld. Piet deed aangifte bij de politie en die kon de naam van de dader achterhalen. Die kon met die kennis echter niks, want probeer maar eens te bewijzen, dat moeder, die zich van dit alles niets herin­nerde, die cheques onder dwang had uitgeschre­ven en het geld ook onder dwang had af­gegeven. Jan, mijn andere broer uit Nieuwepolder, kende de dader. Enkele jaren daarvoor had dezelfde man met een of ander lulverhaal moeder een dure reparatie aan de schoorsteen van haar huis proberen aan te smeren: ‘Wie weet, wat er gebeurt mevrouw, als u er nu niets aan laat doen?’
Toen Jan hiervan hoorde, heeft hij hem gezegd, dat moeder de opdracht had ingetrokken. Omdat hij wist, dat het iemand van laag allooi was, die ongetwijfeld in haar huis zijn ogen goed de kost had gegeven, heeft hij moeder die nacht met al haar waardevolle spullen bij hem laten slapen. Deze ervaring is van grote invloed op haar geweest. Groter dan we toen beseften. De dader heeft enkele jaren later alsnog zijn slag geslagen, omdat hij wist, dat hij met een weerloos persoon van doen had. Vanaf dat moment werd ze bang. Bijvoorbeeld toen ze wist, dat de buurvrouw ‘s nachts niet thuis was. Toen heeft Piet haar die nacht bij hem laten slapen.
Moeder was veel alleen. Ze was nooit een vrouw geweest, die moeite deed om er een uitgebreide kennissenkring op na te houden. Had daar bij leven en welzijn ook geen tijd voor. Wèl kwam in die jaren regelmatig een vriendin op bezoek, die ze al vanaf de lagere school banken kende. Was moeder geestelijk labiel, maar lichamelijk nog goed gezond. Bij haar vriendin was het omgekeerde het geval. Ze wilde graag in het bejaardenhuis worden opgenomen en daar maakte ze tegenover moeder geen geheim van. Ze probeerde haar ervan te overtuigen, dat dat ook voor haar de beste oplossing zou zijn. Wanneer ze samen naar het bejaardenhuis zouden gaan, dan zou dat de overgang aanzienlijk vergemakkelijken. Dachten we.
Eind september kwam er een mevrouw van de indicatie­commissie langs, die beloofde, dat ze over de opname van moeder in het bejaardente­huis een po­sitief advies uit zou brengen. Deze commissie, de neutrale schakel tussen bejaarde en bejaardenhuis, hanteerde ‘objectieve’ maatstaven als kapot gekookte fluitketels, beschimmeld eten en zo meer. Deze mevrouw wist echter ook te vertellen, dat haar beginnende dementie voor opname in het bejaardenhuis een beletsel zou kun­nen zijn. En dat mogelijk een arts dit nog zou moeten beoordelen. Dat bleek achteraf gelukkig niet nodig. Wanneer ze namelijk niet meer ‘bejaardenhuisfähig’ zou zijn beoordeeld, dan had ze meteen naar het verpleegtehuis gemoeten en wie weet hoe lang de wachtlijst daar was. We zouden dan in die typische bejaardenzorglogica terecht zijn gekomen, die luidt, dat, omdat iemand meer zorg nodig heeft, de zorg langer op zich laat wachten. Maar gelukkig zei men ons na het positieve advies, dat plaatsing einde 1992 werd verwacht en ze zou er half okto­ber al een kijkje kunnen komen nemen. Dat heeft ze ook een paar keer gedaan. Samen met haar vriendin, die maar wat graag naar het bejaarden­huis wilde. Karel dacht, dat hij met die bezoekjes bij moeder enige acceptatie van het onvermijdelijke zou kunnen bewerkstelligen. Dat bleek maar beperkt het geval, want na weer een bezoek zei ze zurig tegen hem: ‘Ze moeten me voorgoed meenemen en anders niet.’
Eind oktober logeerde ze een nachtje bij mij en Adriënne. Ik merkte, dat ze hard achteruit was ge­gaan. Ze was totaal ontheemd, wist niet waar ze was. Het was eigenlijk ook on­verantwoord om haar mee te nemen, want ik woonde daar nog maar pas en het huis was dus totaal vreemd voor haar. Ze had wel van de trap kunnen vallen. Toen moeder enige tijd later klaagde over pijn in haar rug, veronderstelde de wijkverpleegster, dat dit in haar eigen huis wèl was gebeurd. De huisarts heeft haar toen pijnstillende zetpillen voorgeschreven. De ver­pleegster advi­seerde ons beneden een bed voor moeder neer te zetten, zodat ze niet de trap op of af hoefde. Dat hebben we ge­daan, maar ook dat ging net als het accepteren van was­beurten niet zonder slag of stoot. Uiteindelijk hebben we haar bed boven helemaal afgebroken. Maar hoe kwam ze nou aan die pijn in haar rug? Zelf kon ze dat niet meer vertel­len. Was ze werkelijk van de trap ge­vallen? Of had ze een trap gehad van die man, die haar dat geld afhandig had ge­maakt? Niemand weet het, maar wat ik wel wist, was dat de dokter fysiothe­rapie had moeten advi­se­ren en niet alleen maar pijnstillende zetpillen voor had moeten schrijven. Het werd gaandeweg duidelijk, dat het zo niet verder kon. Ie­mand van het gecoördineerd ouderenwerk kwam langs om de mo­gelijkheid van een versnelde opname te bespreken. Moe­der leek het te begrijpen, toen ze zei, dat zich overdag toch wel vaak eenzaam voelde. Vlak voor Kerstmis ging ze naar Vre­derust, zoals het woon­zorgcomplex in Nieu­wepol­der heette.


3


Woonzorgcomplex Vrederust bestond uit aan­leunwo­ningen, een bejaarden­huis en een ver­pleegtehuis. Daarna zou, naar te hopen viel, de hemel volgen. Haar opname was urgent en ik geloof, dat de burgemeester er nog in bemiddeld heeft. Ze kwam vlak vóór Kerstmis 1992 in de noodopvang terecht op een kamer op de zevende en bovenste verdieping van het tehuis. In die kamer was het ster­vensheet, toen ik er vlak voor nieuwjaar met Adriënne, Eg­bert en Govert aankwam. Bovendien spookte een overbuurman op de gang rond en dat vond ze maar niks. Het toilet was op de gang. De verpleging heeft er toen voor ge­zorgd, dat ze op haar kamer haar behoefte kon doen. Half januari ’93 verhuisde ze naar een ka­mer op de eer­ste verdieping. Een gecombineerde woon­slaapkamer, een keukentje, een toilet en een douche. Op diezelfde verdieping kwam kort daarna ook haar vroegere schoolvriendin wonen. Ze was trouwens niet de enige bekende van moeder in het tehuis. Ook haar neef woonde er en twee gezusters, die in goede tijden samen in Nieuwepolder een fourniturenwinkeltje dreven
Haar nieuwe kamer op de eerste verdieping stond nog leeg, moest nog in­gericht worden. Aan die inrichting heb ik, moet ik tot mijn schande be­kennen, niet meegeholpen. Ter vergoelijking mag ik wel opmerken, dat ik begin ’93 getrouwd ben en dat de voorbereiding daarvan nogal wat voe­ten in aarde had. Bovendien was het fusieproces om te komen tot één groot onderzoeksinstituut nog niet afgerond. Tot overmaat van ramp werd ik ook nog ontheven van mijn werk voor het Europees Sociaal Fonds, omdat men vond, dat ik de resultaten van het verrichte werk te weinig opgefleurd had beschreven.
Medio januari nam moeder haar definitieve intrek in haar kamer. Voor zover mogelijk stonden er spullen in, die ook in haar huis stonden: stoel, buffetkast, ladenkast en zo. De verhuizing van een provisorische kamer naar een definitieve ging niet zon­der slag of stoot. Ze vond al dat gedoe maar niks: ‘Dat gedonder allemaal, kan ik nou niet naar huis.’
Op die kamer heeft ze bijna twee jaar ge­woond. Als ik alleen bij haar op bezoek was, zei ik tegen haar, dat ze uit het raam naar me moest zwaaien voordat ik in de auto stapte om te vertrekken. In het begin deed ze dat ook, maar dat duurde maar kort. Al gauw was ze, nadat ik bij haar was weggegaan, vergeten, dat ik op bezoek was geweest. tot ze eind ’94 vanwege haar slechtere fysieke en vooral mentale conditie naar de zesde verdieping ver­huisde. Die kamer lag aan de andere kant van het gebouw en had dus ook een ander uitzicht. Keek ze op de eerste verdieping uit op de kerktoren van Nieuwepolder, een voor haar vertrouwd gezicht, nu keek ze de weidse verte in, van het dorp af. Op die kamer zou ze nog drie-en-een half jaar blijven. Even voordat ze naar het verpleegtehuis zou gaan, had de verpleging een kastje onder haar bed geïnstalleerd bij wijze van nacht­alarm. Half juni 1998 kreeg ze in de gaten, dat er iets stond te gebeuren, toen ze te­gen Jan zei: ‘Ik weet niet, waar ze me nu weer in gaan stop­pen.’
Soms kon je om haar ook lachen ondanks de onmin, die ze uitstraalde. Vrederust organiseerde zo nu en dan ook uitstapjes van een dag. Even in een andere omgeving. Eens trof ik op haar kamer twee foto’s van zo’n uitstapje aan. Op de ene foto zat ze in de bus, op de andere in een invaliden­wagentje. Ik pakte de eerste foto, liet die haar zien en vroeg: ‘Hoe kijk je op deze foto?’ ‘Chagrijnig’, zei ze. Vervolgens liet ik de foto van haar in het invali­denwagentje zien. ‘En hoe kijk je daar op?’ ‘Nog chagrijniger.’

4


De eerste keer dat ik moeder in het bejaarden­huis op kwam zoeken, had ik een zwarte hoed op. Ik was er sa­men met Adriënne en Egbert en Govert. Het was als gezegd een provisorische kamer, die stervensheet was en waar buiten op de gang nogal eens een man rondspookte. Moe­der vond dat maar niks. Veertien dagen daarna ben ik samen met Adriënne nog eens langs ge­weest om te vertellen, dat we op 12 maart van dat jaar zouden gaan trouwen. De volgende dag zou moeder naar haar nieuwe kamer verhuizen op de eerste verdieping. We hebben daar toen alvast koffie gedronken. Adriënne en ik woonden al een tijd samen. Na enig heen en weer gepraat hadden we besloten het erop te wagen.‘Als we gaan trouwen’, zei ik, ‘dan wil ik ook, dat de familie erbij is en niet, zoals je soms wel hoort, dat de gelieven elkaar ergens achteraf hun jawoord geven en daarna familie en kennissen van dit heugelijke feit op de hoogte stellen.’
Na ons bezoek wist ze het weekend daarna Karel warempel te vertellen, dat ik een zwarte hoed op had èn dat ik ging trouwen. Die zwarte hoed deed haar wellicht denken aan haar man, die vaak zwart gehoofddekseld door het leven placht te gaan. Dat ze mijn huwelijksplannen herin­nerde, kwam misschien wel door een gevoel van opluchting, dat haar jongste zoon na een eerste huwelijk en na negen jaar alleen wonen nu ein­delijk weer onder de pannen was. Met bekenden in Vrederust praatte ze er ook over. Een kleine week voor de grote dag was ik samen met Egbert bij moeder op bezoek. Hij kon niet nalaten op te merken, dat ik mijn laatste dagen in vrijheid aan het slij­ten was. Jan maakte enkele dagen voor de huwelijksdag met de afdelingszuster de afspraak, dat moeder op vrijdag vóór twee uur ’s middags pico bello klaar zou staan. Toen hij haar daad­werkelijk kwam halen, was ze geheel verrast. ‘Je had me dat wel eens eerder kunnen vertellen’, zei ze. Tijdens de huwelijkssluiting bij de ambtenaar van de burgerlijke stand zat ze erbij en keek ze er­naar en bij de receptie speelde ze plichtmatig haar rol als moeder van de bruidegom. Ik denk niet, dat bij de buitenwereld haar dementie al te zeer opviel, omdat ze er fysiek voor haar leeftijd nog patent uitzag. Het huwelijksfeest vond plaats in Restaurant De Fijn­proever, waar naast ons feest nog een ander bruiloftsfeest gaande was. Moeder moest op een gegeven moment naar het toilet. Enige tijd daarna waren we ze even kwijt, om­dat ze in het andere feest beland was. Het mocht allemaal de pret niet drukken. Zeker niet toen mijn collega’s op de tonen van ‘Komt vrien­den in het ronde’ ‘Wim heeft zo’n chique hoed’ aanhieven.
Het was een mooie dag. Eerst met de ambtenaar van de burgerlijke stand in het gemeentehuis en daarna een warm en koud buffet gevolgd door de receptie. De eerste, die daar verscheen, was een vrouwelijke collega van me, met wie ik vóór ik Adriënne ontmoette, een kleine twee jaar een affaire had gehad. Omdat mijn eerste huwelijk door vreemdgaanderij op de klippen was gelopen, accepteerde ik niet, dat zij het met anderen aan­legde. Dat bleek teveel gevraagd en ik hield het dan ook voor gezien. Jaren later trouwde zij zelf. Op die receptie heb ik me niet laten zien. Ik gaf een collega een enveloppe mee, waarin ik haar per brief het beste toewenste.

5


Toen moeder nog zelfstandig in haar huis woonde, was het al zonneklaar, dat Jan later het huis zou kopen. Zij­zelf, Karel, Piet en ik waren het daar ook mee eens. Nu ze in Vrederust woonde moesten er spijkers met koppen worden geslagen en dat was nog niet zo eenvoudig. Het begon er al mee, dat ze vlagen van opstandigheid vertoonde: ‘Hoe is het met het huis? Al afgebroken? Staat er nog wat in? Ik ben hier maar tijdelijk.’
Dat was in februari 1993. Begin maart kwam er een kleine kente­ring. Karel begon met haar over de verkoop van het huis en dat dat met Jan, haar en de notaris geregeld moest worden. ‘Ik verkoop nog niet’, zei ze.
Ruim een week later gaat ze overstag. Dat Jan het huis koopt, ziet ze als de beste oplossing. Ze vindt zichzelf ook geen mens meer om alleen te wonen. Piet, die al jaren moeders financiën be­hartigde, kon be­ginnen de papieren voor de no­taris in orde te maken. Be­gin april is moeder nog even in haar vroegere huis ge­weest. Enkele we­ken later zegt ze tegen Karel, dat ze op haar ka­mer in Vrederust wel een uur lang naar haar spullen heeft zitten kijken en na is gegaan, waar het vroeger in huis allemaal stond. Ze vraagt zich steeds af, wat er met haar huis gaat gebeuren. Karel stelt haar ge­rust en zegt, dat dit nog uit­voerig met haar zal worden besproken. In au­gustus is zover, dat de eigendomsoverdracht bij de notaris kon worden geregeld. De notaris neemt de tijd om moeder onder vier ogen te spreken om zich ervan te ver­gewissen, dat ze het met de overdracht eens is en onge­veer weet, wat er aan de hand is. Maar dat bleek wel het geval. In de akte stond een foutieve aanduiding en voor de doorhaling moesten partijen ook later nog even tekenen. Hetgeen gebeurde. We hadden er niet aan moeten denken, wat er zou gebeuren, als ze geweigerd had aan de verkoop mee te werken. Het enige, dat er dan op zit, is je moeder handelingsonbekwaam te laten verklaren en wie wil dat zijn moeder nou aandoen?
Het was niet alleen het huis, waar iets mee diende te ge­beuren. Ook alle spullen, die erin stonden en waarvoor op haar kamer in Vrederust geen plaats was, moesten wor­den verdeeld. Piet schakelde een antiquair in, die alles, wat van waarde was, taxeerde. Dat leverde een lijst op met spullen, waar we op konden bieden. Mini­maal 60% van de getaxeerde waarde, hadden we afgesproken. Het totaalbedrag, dat dat opleverde werd verdeeld. Het bedrag, waar­voor eenieder spullen had verworven, werd net­jes van ieders deel afgehouden, waarna het res­tant werd uitbetaald. Intussen was Jan druk bezig het huis op te knappen en dat was nodig ook. De verwarming was van het jaar nul en bovendien werden er aanpassingen en uitbreidingen aan­gebracht, die het wooncomfort naar het niveau van mid­den jaren negentig moesten brengen. Moeder vroeg in september aan Jan, hoe het met het huis stond. Hij be­loofde haar een keer mee te nemen om het te bekijken. Toen de verbouwing helemaal achter te rug was, nam hij haar mee. Sommige dingen wist ze zich nog goed te her­inneren, andere dingen niet.
In dat huis woonden vroeger mijn oma en een ongehuwde tante samen. Toen na oma ook tante was gaan hemelen, kwam het vrij voor de erfge­namen. Moeder wilde het wel hebben en kocht de andere erven uit. Dat was goed bekeken, want het werd een huis, waarmee ze haar zonen op gang hielp, nadat ze getrouwd waren. Eerst heeft Karel er enkele jaren gewoond en daarna Jan. Toen we allemaal het huis uit waren, hebben moeder en vader hun voor hun beiden veel te grote huis verkocht en zijn ze in dit kleinere huis gaan wonen.

6


Moeder heeft vijf en een half jaar in het bejaar­denhuis gewoond. Van 1993 tot medio 1998. In die periode ben ik regelmatig bij haar op bezoek geweest. Alleen, samen met Adriënne, met Eg­bert en Govert, met Maria, de dochter van Adriënne. Een enkele keer met z’n zessen. Johan, de zoon van Adriënne was er dan ook bij. Leek het er in het begin nog op, dat ze zich in haar situa­tie zou schikken, later werd duidelijk, dat ze geen weet meer had van hoe lang ze al in Vrederust verbleef. Zelfs in 1995 zei ze nog tij­dens een bezoek van mij, Adriënne en haar kin­deren, dat ze er pas een week woonde. De fre­quentie van bezoek van Piet, Jan en Karel lag veel hoger dan die van mij. Dat kwam, omdat Piet en Jan in Nieuwepolder woonden en dus sneller bij moeder konden zijn, als er wat aan de hand was. Karel is bovendien in deze periode met de VUT gegaan en had dus meer tijd om naar moeder te gaan. ‘Hoe meer met de VUT, des te beter de mantel­zorg’, zei ik toen tegen hem.
Ik was ook nog niet zo gesettled als mijn oudere broers. In maart ’93 getrouwd en in augustus ’94 verhuisd naar een koopwo­ning. Dat kostte naast mijn werk ook de nodige tijd. Dat werk bestond toen uit onderzoek in Rotterdam, de gemeente, die onverdroten de bevordering van de leefbaar­heid ter stede in haar vaandel schrijft. Niet dat het, als je op de verkiezingsuitslagen afging, wat uithaalde, maar goed.
Moeder wist haar opstandigheid in het begin nog op treffende wijze te verwoorden. Toen ik eens alleen bij haar op be­zoek was, zei ze: ‘Ze stoppen je hier weg en dan kun je op je dood zitten wachten.’ ‘Het zijn grote deugnieten, die zo­nen van je’, zei ik. ‘Ja’, zei ze, ‘maar daar ben jij er ook een van.’ Een andere keer verzekerde ze me, dat niemand haar te­gen zou kunnen houden, als ze het op een lopen wilde zetten. Nu wil het geval, dat twee van haar oudere zussen op latere leeftijd ook aan de loop zijn gegaan. De ene midden in de nacht vanuit haar bejaardenwoning naar de plek waar ze vroeger had gewoond, de ander werd in de vrieskou gevonden. Het is toen met beiden nooit meer echt goed gekomen. Ik dacht: ‘Hier moet ik grof geschut in stelling brengen’ en zei: ‘Dan ga je zeker je zussen achterna. Met hen is ook nooit meer echt goed gekomen.’ Van haar antwoord had ik niet terug: ‘O, het zit dus in de familie? Dan is het zo erg toch niet.’
Eind 1993 heeft ze bij mij thuis nog Sinterklaas gevierd. Ik heb ze om twee uur gehaald en om acht uur weer te­ruggebracht. Ik had drie kleine flesjes goede wijn ge­kocht: St. Emilion, Médoc, Bordeaux. Die heb ik later samen met haar opge­dronken, als ik op bezoek was. Een wijntje of een advocaatje wilde nog wel eens helpen, als ze zich tegen haar situatie verzette. Het wilde ook wel eens helpen om haar mee te nemen en ergens een kop koffie te gaan drinken. Maria, de dochter van Adriënne, was geen kleinkind van moeder, maar ontwikkelde al snel een speciale band met haar. Moeder was in haar goede tijd een naald­werkkun­stenares en Maria liet zich al gauw in­strueren over haken en breien. Vooral in de la­tere jaren in het bejaardenhuis ging ik samen met Maria met enige regelmaat met de trein naar moeder. Ik met mijn NS-jaarkaart, die ik ook voor mijn werk gebruikte, en voor Ma­ria kocht ik dan een goedkoop railrunnertje. Ze was daar toen nog niet te oud voor. We kwamen een keer aan in Nieuwepolder en passeerden een bloe­menstalletje op het plein voor de kerk. ‘We moeten bloemen voor oma ko­pen’, zei ze. Ik hield dat af. Ik dacht: ‘Wat haalt het uit. Als je je omdraait, weet ze al niet meer, waar die bloe­men vandaan komen.’ Maar ze hield aan en uiteindelijk hebben we bloemen gekocht. Op een subtiele manier voelde ik me door haar terechtgewezen. Een volgende keer, toen ze niet meekon, gaf ze mij voor moe­der een knuffel mee en even later kwam ze met een kerst­stukje voor haar aan. In 1996 hebben we met z’n allen haar negentigste ver­jaardag ge­vierd. Dat was nog in aanwezigheid van haar enige overgebleven broer, die niet veel later dood zou gaan. De twee laatsten der mohika­nen van het gezin, waarin ze was opgegroeid.

7


Moeder had al rugklachten, voordat ze naar Vre­derust ging. De dokter schreef eerst slechts pijn­stillers voor. In het bejaardenhuis werd ze vrijwel meteen door een fysiotherapeute behandeld. Ze heeft die behandelingen de eerste vier jaar van haar verblijf met enige regelmaat ge­kregen. Tel­kens een serie van twaalf behandelingen. De laatste anderhalf jaar van haar verblijf bleef ze nog wel last houden, maar ze kon niet meer aan­geven, wat wel en wat niet hielp. Ze liep krom en haar klachten werden net als bij het begin met pijnstellers bestreden.
Toen ze pas in het bejaar­denhuis was, werd er een verdik­king achter haar rechtsoksel geconstateerd. Ze zei zelf, dat het daar pijn deed. De dokter kwam langs, maar die wist ook niet wat het precies was en verwees haar naar de chirurg. Die onderzocht haar op de polikliniek en zei, dat een korte ziekenhuisop­name noodzakelijk was. Die op­name vond juni ’93 plaats en de verdikking werd verwij­derd. Bij nacontrole bleek alles in orde.
Ze kreeg ook last van dikke voeten. Toen dat blijvend bleek, is de dokter langs geweest. Die schreef vochtafdrij­vende tabletten voor en een matig natriumarm dieet. Er moest ook aangepast schoeisel worden aangeschaft. Begin ’95 had ze nog steeds dikke voeten, waarna de huisarts een streng zoutarm dieet advi­seerde. We moesten ook opletten, dat ze niet teveel zoetig­heid at. Toen ik begin au­gustus van dat jaar langs kwam, had ik de in­druk, dat haar voeten minder dik waren dan de vorige keer, dat ik op bezoek was geweest. De combinatie van rugklachten en haar dikke voeten vormde gaandeweg een blijvend probleem. Ze begon moeilijk te lopen en ze kreeg, nadat ze een keer gevallen was, een loopfiets. Dat was vlak voordat ze naar het ver­pleegtehuis ging.
Parallel aan haar fysieke achteruitgang liep haar mentale aftakeling. Ze accepteerde haar verblijf in het bejaarden­huis niet echt, maar dat niet alleen. Ze had ook geen en­kel idee van hoe lang ze daar al was. In mei 1998, meer dan vijf jaar na het begin van haar verblijf in Vrederust, vroeg ze me tij­dens een bezoek nog om haar naar huis te bren­gen. Dat wil ook weer niet zeggen, dat ze hele­maal niet wist, wat er met haar aan de hand was, want begin ’93 zei ze tegen Karel: ‘Ik ben zo suf als een kraai. ’t Is versleten werk daarboven.’ Tegen Karels dochter zei ze een paar maanden later, dat ze het jammer vond, dat ze zo ver­geet­achtig was, maar dat ze toch hoopte, dat wij haar alles zouden vertellen. Dat hebben we gedaan. Op verzoek van moeder schreef Karel de voorge­schiedenis op. Dat iemand cheques van haar had gestolen. Dat dat haar angstig had gemaakt. Dat ze van de trap was gevallen en dat het daarom beter was om niet meer alleen in huis te blijven. Dat ze samen met haar schoolvriendin haar in­trek in Vrederust had geno­men. En tenslotte, dat Jan, zoals al eerder was afgespro­ken, haar huis heeft gekocht. Die schriftelijke informatie lag op haar kamer en werd voorgelezen, wanneer er weer eens onduidelijkheid was. Ze hoorde dat meewarig aan: ‘Het smoesje is goed, maar de uitvlucht deugt niet.’
Toen ik bij haar bezoek was en samen met moe­der naar Ajax-Feyenoord keek, belde Karel tij­dens de rust op. ‘Is het bij jullie ook 1-1?’, vroeg hij. Waarop moeder repliceerde met: ‘Het is hier altijd 0-0.’
In oktober ’95 nam ik haar mee naar een brasse­rie in Nieuwepolder om daar samen een kop kof­fie te drinken. Toen ik ze naar Vrederust terug­bracht, wilde ze slechts na enig aandringen uit­stappen. Haar ontevredenheid hield aan en dat liep soms zo hoog op, dat Piet en zijn vrouw te­lefonisch werden opgetrom­meld om de boel te sussen. ‘Wie betaalt dat hier en wie brengt me nu naar huis?’, vroeg ze. Ze brachten haar terug naar haar kamer, gaven haar een advocaatje en toen was het weer goed.
Medio ’96 werd duidelijk, dat het verpleegte­huis nog de enige optie was, die overbleef. Elemen­taire za­ken als boterhammen smeren, haren kammen, aankleden en zo meer kon ze niet meer zelfstandig voor elkaar krij­gen. De meer persoon­lijke verzorging, die nodig was, kon het bejaar­denhuis niet blijvend bieden. Ze werd op een, overigens lange, wachtlijst gezet. Het heeft twee jaar geduurd, voor ze aan de beurt was. In de tussentijd was het kwakkelen. De familie moest een formulier tekenen, waarin we ons namens moeder akkoord verklaarden, dat ze op een ge­sloten afdeling verbleef. Die situatie was begin ’96 al lang zo, maar nu was kennelijk enige for­malisering noodzakelijk.
Tijdens die laatste periode in het bejaardenhuis, belandde ik in het ziekenhuis. Maagbloeding. Mijn ontlasting was pikzwart van het bloed, dat vanuit mijn maag in het darmstelsel terecht­kwam. ‘Je lichaam doet net of dat ook voedsel is’, zei de internist. Aan die bloeding ging een sluipend proces van verzwakking vooraf. Ik herinner me, dat ik samen met Maria in de auto terug naar huis reed na een bezoek aan moeder. Bijna thuis voelde ik me doodmoe en achteraf bezien was het eigenlijk onverantwoord om in zo’n slechte conditie auto te rijden. In het ziekenhuis aanbeland zag de wereld er opeens heel anders uit. Na een gastroscopie kreeg ik bloed bij om het HB-gehalte op te krik­ken. Dat werkte maar even. Het bloed kwam er van onderen harder uit dan het er van boven in ging. Enfin, nog een gastroscopie, waarbij op een of andere manier het lek is gedicht. Vlak voor Kertmis ’98 mocht ik naar huis. Ik vertelde moeder daarna van die zie­kenhuisopname. Ze hoorde het aan en wanneer ik er bij een volgend bezoek weer over begon, was het weer nieuws, omdat ze niets meer in haar geheugen op kon slaan.

8


Het verpleegtehuis was een afzonderlijk gebouw, dat slechts met één gang met Vrederust verbon­den was. Laagbouw. Bij binnenkomst waande je je in een kantoortuin met dit verschil was, dat er in plaats van bureaus en computers links en rechts de oudjes zaten, waarvan er één me ooit vroeg: ‘Meneer, meneer u moet me komen helpen.’ ‘Niets van aantrekken, meneer’, zei een verzorg­ster. ‘Dat roept ze de hele dag al.’
Moeder sliep op een kamer met een andere vrouw. Overdag zat ze in de binnenruimte of in één van de aangrenzende vertrekken. Als ik haar bezocht nam ik haar mee naar een soort foyer, waar koffie, koeken en drank verkrijgbaar waren. Meestal gaf ik ze een kop koffie, die ze aanvan­kelijk nog zelfstandig opdronk. Later zette ik het kopje aan haar mond. ‘Gek, hè’, zei ze me eens. ‘Soms denk ik iets en als ik het dan wil zeggen, dan lukt me dat niet.’
Toen de communicatie steeds moeizamer werd, begon ik haar handen te strelen. Handen en vin­gers, die helemaal versleten waren door het vele naai- en verstelwerk, dat ze in haar leven had verricht. Ik heb ook ooit geprobeerd haar nek te masseren, maar dat deed haar pijn. Wanneer je je moeder om de zoveel weken bezoekt, dan merk je de achteruitgang niet zo. Dat viel me op, toen ik er eens samen met Egbert was. Hij schrok zich te pletter van het verval van zijn oma. Daar kwam nog bij dat we een kamer passeerden met een bed erin, waarop een vrouw lag met een luier. De poeplucht, die je rook, was niet om te harden. Ik was er eens samen met Adriënne. Ze zat toen al in een invalidenwagentje. Het was mooi weer, dus we namen haar na de begroeting mee naar buiten. Ik duwde haar voort en Adriënne liep vlak achter me. Op weg naar het fraaie park, dat Vrederust omringde, vroeg ze ineens: ‘Waar is het madammeke?’
In de foyer waren soms lachwekkende tafereel­tjes te zien. Een vrouw, die ineens een stapel koekjes weggriste en die naar binnen probeerde te proppen. Of twee vrouwen die er rondliepen en op gezette tijden bij een tafel of een kast halt hielden. De ene zei wat onduidelijks tegen de an­der en die ander knikte van ja.Toen ik na een weekendje aan zee samen met Adriënne, Maria en haar vriendin op een maan­dag overdag langskwam, hielpen we moeder met het eten van haar maal. Ze deed nogal klagelijk. Duidelijk bedoeld om medelijden bij ons op te wekken. De gezette vrouw, die naast haar zat vond dat maar niks. ‘Ze komt hier niks te kort’, zei ze. Een andere vrouw liep rond met twee poppen onder haar arm. Ik heb me ooit laten vertellen, dat dat zou kunnen duiden op miskramen, die ze had meegemaakt. Een bejaardenverzorgster zei tegen haar: ‘Wat zijn ze vandaag toch weer lief hè?’ Ze glunderde.

9


Begin maart 2000 was ik samen met Adriënne bij moeder. Ze bleek nauwelijks aanspreekbaar. Minder dan de vorige keer, dat ik er was. Een bejaardenverzorgster vertelde ons, dat ze drup­pels Haldol kreeg in oplopende dosering. Van twee ’s morgens via vijf ’s middags tot tien drup­pels ’s avonds. Ze kreeg die druppels, omdat ze begon te zingen. Niet zomaar, maar één liedje en dat aan één stuk door. De vorige keer, dat ik er was, zong ze ‘Singing ja ja jippie jippie jee’. Een vrolijk liedje, maar uit haar mond klonk het als een helse kreet. Begrijpelijk, dat men dit gedrag met Haldol wilde dempen, want de medebewo­ners hadden er zoveel last van, dat we ze soms in een uithoek van het gebouw aantroffen. Ik vroeg me echter af, of het ook niet zo geregeld kon worden, dat ze nog enigszins aanspreekbaar zou zijn, als we haar kwamen bezoeken. Ik ging op internet op zoek naar de bijsluiter en vond daar, dat de dosis na gebleken resultaat reeds na enkele dagen verlaagd zou kunnen worden. Ik heb dat bij mijn broers op het woord gegooid en ook ter sprake gebracht, toen ik samen met Karel een gesprek had met de arts en het hoofd ver­pleging. Ze waren inderdaad inmiddels begonnen met het verminderen van de dosis, omdat ze ’s morgens na het aankleden nog vaak zo suf was, dat ze gewoon op bed bleef liggen. Ten gevolge van niet goed meer functionerende traanklieren had ze rondomrande ogen, waar men met een antibiotische crème wat aan probeerde te doen. Men vroeg zich ook af, wat te doen, wanneer moeder geen eten meer tot zich zou kunnen ne­men. Men zou slechts tot kunstmatige voeding willen overgaan, als de familie, dat nadrukkelijk wilde. Vreemd, want in een eerder gesprek van Karel en Jan stelde men het omgekeerd als be­leidslijn voor. Het hoofd verpleging legde na het gesprek het geschreven verslag ter onderteke­ning aan Karel voor. Diens handtekening nam ongeveer evenveel plaats in als het verslag zelf.
Moeder raakte nog verder aan de kwakkel. Een pijnlijke stuit. Wellicht van het doorliggen. Een beschadigde bril. Een gebit, dat niet meer goed paste. Niettemin, Jan kon melden, dat de verminderde dosering effect had gehad. Ze was weer enigszins aan­spreekbaar en wist hem te vertellen, dat ze net terug was uit de kerk. In hetzelfde jaar 2000 kwam Karel’s vrouw te overlijden. Ze was altijd zeer zorgzaam voor moeder geweest. Toen moeder nog in het be­jaardenhuis was, zei ze ooit: ‘We moeten haar met al haar knorrigheid maar nemen zoals ze is. Wie weet, hoe wij ons zullen gedragen, als we zo oud zijn?’ En dan achteraf te bedenken, dat ze zelf de leef­tijd van 65 jaar niet heeft mogen bereiken na een slopend ziekbed. Ik vertelde moeder met enige regelmaat, dat haar schoondochter ziek was en daarna ook, dat ze was gestorven. Maar ook dit was telkens nieuws, dat ze aanhoorde en niet meer in haar geheugen op kon slaan.

10


In het najaar van 2000 ging het snel bergaf­waarts. Ze kreeg een urineweginfectie, die met antibiotica bestreden werd. Oraal. Haar maag kon dat niet meer verdragen, waardoor ze ook geen voedsel meer tot zich kon nemen. We lieten het met haar 95 jaar maar zo. Ze werd in onze aan­wezigheid bediend en vanaf dat moment besloten we bij haar te waken. Ik was op een zondag­avond aan de beurt. Ze lag zijlings in haar bed met open ogen, maar niet meer tot enige com­municatie in staat. Op gezette tijden kwam de verpleging om haar op haar andere zijde te draaien en om wat slijm uit haar keel te halen. ‘Hoe lang gaat dit nog duren?’, vroeg ik. ‘Daar is niets van te zeggen, meneer’, zeiden ze. Eigenlijk had ik dat niet in aanwezigheid van moeder moeten vragen, want ik kon niet zeker weten, dat ze daar niets van meekreeg. Hoewel… Rond twaalf uur ben ik tamelijk ontdaan naar huis gereden. Piet heeft het waken daarna van me overgenomen. In zijn aanwezigheid is ze in de vroege morgen of late nacht zo men wil ge­storven. Toen om vijf uur in die nacht van zondag op maandag de telefoon ging, wist ik het al. Ik belde naar mijn werk om me af te melden en ging aan de slag om de rouwkaart te schrijven. Die moest beginnen met een motto, dat spontaan in me opkwam:
de spil in ons gezin
bij nacht en ontij
in vreugde en verdriet
Ik mailde de tekst naar mijn broers en ik denk, dat het zo rond 10 uur ’s morgens was, dat de tekst naar de drukker kon. Kijk, we wisten na­tuurlijk, dat het met moeder niet lang meer zou duren en zijn daarom nadat ze bediend was, bij elkaar gaan zitten om alvast afspraken rond de begrafenis te maken. Karel was toen net op va­kantie en er werd geopperd, dat iemand van ons in de kerk een afsluitend woord zou spreken. ‘Wil jij dat niet doen, Wim?’, vroeg Jan. Ik zei, dat ik dat wel wilde doen, maar dat ik Ka­rel als oudste zoon niet voor de voeten wilde lo­pen. ‘Die doet dat toch niet’, zei Piet, ‘daar is ie veel te emotioneel voor.’
Na de rouwkaart zette ik me aan het schrijven van het gedachtenisprentje, dat van hetzelfde motto voor­zien werd. Ik had er doelbewust voor gekozen om moeder in herinnering te houden als iemand, die heel zelfstandig in het leven stond en om haar latere verval slechts terloops te vermelden. Dat het voor haar een hard gelag was om tegen het einde van haar leven op de zorg van anderen te zijn aangewezen. Ik heb het kort en bondig ge­houden en ben geëindigd met haar Godsvertrou­wen, dat tot uiting kwam, wanneer ze met haar rozenkrans in de hand ging slapen. Voor het bedenken van een afsluitend woord had ik wat meer tijd, want ze werd na haar dood in de nacht van zondag op maandag pas zaterdag be­graven. Het was een mooie eredienst, opgefleurd met gezang van Karel en met gitaarspel van mijn oudste zoon Egbert. Toen ik uiteindelijk aan de beurt was, sloot ik mijn woord af met de vermel­ding, dat moeder opgroeide tegenover het klooster van de eerwaarde zusters. Dat ze daar regelmatig een helpende hand toestak, hetgeen de zusters ertoe bracht haar tot het kloosterleven te verleiden. ‘Gelukkig heeft ze die verleiding weerstaan’, zei ik. ‘Wat zegt ie nou?’, zag ik de priester denken. ‘Anders waren wij er nu niet geweest om vlak na haar 95e verjaardag afscheid van haar te nemen.’

6
Word fan
Delen
Ongewenst

Laat een reactie achter

+2 -0- x

Ben schreef op 02 Feb 2011 om 13:43

Je hebt van mij wel een duim omhoog gekregen, maar ik vond het te lang om te lezen. Afscheid nemen is het begin van een herinnering.

+0 -0- x

Taco-Veldstra schreef op 04 Apr 2011 om 21:18

Traan..mijn moeder leed ook aan levensnevel. Ik vond het een heel boeiend, aan grijpend verhaal en je houdt echt van goede wijn...Oh ja : Dit is de mooiste regel...Het staat hier altijd 0-0 hahahahaha

+0 -0- x

Yabba schreef op 14 Aug 2011 om 13:28

Heel mooi geschreven.

Reageren?

Registreer of log in om te reageren op een artikel.
Dit artikel bevat:
Toelichting: