Van alle stenen die Tavernier heeft beschreven is deze wel de beroemdste, en zijn naam is prachtig. Deze betekent :
"Berg van Licht'
en die naam alleen al roept een droombeeld op. Men schrijft hem trouwens ook een fabelachtig ontstaan toe, dat dateert uit de al even wonderlijke tijden toen de goden nog met de mensen omgingen.
De Koh-i-Noor
wordt voor het eerste beschreven in een kroniek uit 1304, waarin staat dat hij het eigendom was van de radja van Mâlwa. Er werd verteld dat hij de mijnen van Bijápur afkomstig was en dat hij, toen hij net was gevonden, 600 karaat woog. Het klinkt onwaarschijnlijk, maar we bezitten geen enkel zeker bewijs over deze materie en we weten zelfs niet in welke periode en onder welke omstadigheden hij voor het eerst werd geslepen.

Dan wordt er gedurende twee eeuwen niets meer over hem vernomen tot op de dag dat Bâbur, de afstammeling van Timur-Lang (Tamerlan), die over het huidige Pakistan regeerde, de Pánjáb veroverde, Lahore in het bezit nam en in 1526, op de ruïnes van sultanaat van Delhi de dynastie der Grootmogels stichtte. Onder de geschenken die de weduwe en de kinderen van Ibrahim Lodî, die door Bâbur was gedood, de overwinnaar als teken van onderdanigheid aanboden, bevond zich ook de "Berg van Licht". De waarde werd destijds geschat op het 'totale inkomen van de gehele wereldbevolking op één dag". Twee eeuwen bleef de steen in het bezit van de mogols, te midden van vele andere juwelen, zoals blijkt uit de enorme pracht en praal aan het hof van sjâh Jâhan (1627-1658). Maar de macht van de Rimouriden neemt af. In 1738 ziet het rijk van de regerende keizer Muhammad Shâh zich geplaatst tegenover een invasie door een van oorsprong Turkse generaal, Nâdir Shâh, die zich meester maakt van de Perzische troon. Op 13 februari 1739 is Muhammad overwonnen en Delhi bezet. De buit is enorm en omvat onder meer de Pauwentroon, bestaand uit geëmailleerd goud en versierd met enkele duizenden edelstenen, die de overwinnaar meenam naar Isfahan, zijn hoofdstad. Deze troon is nog steeds in Iran. Het verhaal vertelt echter de dat Koh-i-Noor ondanks de nasporingen van Nâdir Schâh eerst niet werd gevonden. Hij kon zich slechts van de diamant meester maken door de medeplichtigheid van Muhammad. Zij verraadde dat de keizer de steen op sluwe wijze in zijn tulband had verstopt. Nâdir, geslepen als hij was, maakte gebruikt van een aloude gewoonte. Hij nodige zijn slachtoffer uit op een feest waar het gebruikelijk was dat de gastheer zijn gast, uit beleefdheid elkaars tulband ruilden. Op deze manier kwam de fantastische steen in handen van Nâdir, die hem mee naar Perzië nam.

In 1747 wirdt de tyrannieke en wrede Nâdir Shâh bij een aanslag door vier van zijn officieren vermoord. Binnen een tijdsbestek van vier jaar volgen vier koningen hem op de troon op. De laatste, Seyd Muhammad, liet zijn voorganger Shâh Rukh Mirza, de ogen uitsteken en martelen om in het bezit van de Koh-i-Noor te komen, maar de gevangen vorst wist de meeste gruwelijke martelingen te doorstaan. In 1751 besloot Ahmed Shâh Duráni, die intussen de troon van het naburige Afghanistan had veroverd, zich te gaan bemoeien met de Perzische aangelegenheden. Hij wilde de goede orde weer herstellen en bevrijdde Shâh Rukh. Deze laatste gaf hem uit dankbaarheid het schitterende juweel. In 1793 was de steen in het bezit van Zaman Shâh, de kleinzoon van Ahmed Durâni. Deze werd door zijn wrede broer Shuja-el-Mûlk onttroond en gevangen gezet. Zaman weigerde echter te vertellen waar de Koh-i-Noor te vinden was. Het lukte hem om de diamant in de weke, modderachtige mortel van de gevangenismuur te verbergen, waar hij ten slotte enkele jaren later door stom toeval zou worden gevonden. Shuja had er slechts kort plezier van. Hij werd door zijn neef Mahmûd van de troon gestoten en verbannen. Hij vond asiel bij Ranjit Singh, 'de leeuw van de Pánjáb', die hem met veel eerbetoon binnenhaalde. Shuja had op een tot op heden nog onverklaarbare manier de Koh-i-Noor in zijn bezit weten te houden en hij voelde zich min of meer verplicht de steen aan zijn gastheer te 'verkopen'. Toen deze laatste hem naar de prijs van de edelsteen vroeg antwoordde Shuja hem nederig : 'Laat vijf sterke mannen ieder een steen werpen, een naar het noorden, een naar het oosten, een naar het westen, een naar het zuiden en een omhoog. De aldus ontstane, denkbeeldige ruimte moet met zich met goud gevuld denken. Toch zal dat nog niet de waarde van de "Berg van Licht" vertegenwoordigen'. De koning van de Pânjâb liet de diamant samen met twee andere stenen monteren op een geëmailleerde, gouden armband, die zich tegenwoordig in de Londense Tower bevindt.

Geslepen in zijn
traditinole oud-Indiase vorm woog hij destijds 186 karaat. Tot 1849 maakte hij deel uit van de schat van Lahore, het jaar waarin de Engelsen de Pânjâb bezetten, na de opstand van twee Sikhs regimenten. De almachtige Oostindische Compagnie eigende zich doodeenvoudig de schat van Lahore toe, en dus ook de Koh-i-Noor, die aan de jonge koningin Victoria werd aangeboden. In 1850 verliet de "Berg van Licht" Azië om er nooit meer terug te keren. In 1851 werd de edelsteen tentoongesteld in het Londense Crystal Palace, maar de bezoekers waren teleurgesteld. Door zijn Indiase slijpwijze kwam de steen niet helemaal tot 'leven' en verdiende daarom zijn naam niet. De koningin besloot daarom de steen opnieuw te laten slijpen en liet uit Amsterdam de beroemde slijper Voorsanger uit het bedrijf van Coster komen. Prins Albert in hoogsteigen persoon plaatste de edelsteen opde 4pk machine, die voor dit doel speciaal was geïnstalleerd en de hertog van Wellington zette de machine eigenhandig in beweging. De Koh-i-Noor, die nu in de ovale briljantvorm werd geslepen, daalde in gewicht van 186 naar 108,93 karaat. De koningin was erg bijgelovig en hechtte grootte waarde aan de legende waarin wordt verteld dat de Koh-i-Noor de mannen ongeluk kan brengen, maar dat de vrouwen daarvoor gespaard blijven. In haar testament zie ze dan ook uitdrukkelijk dat, als de diamant aan de regerende vorst zou worden toegewezen en deze een man zou zijn, de Koh-i-Noor dan uitsluitend door diens echtgenote mocht worden gedragen. En de wil van de koningin werd altijd zeer nauwgezet geêerbiedigd. In 1937 werd de steen op de kroon van Elizabeth, de echtgenote van George VI, geplaatst. En vanaf die tijd draagt de koningin-moeder tijdens officiële plechtigheden altijd deze kroon. Van al de juwelen, die in de Londense Tower worden bewaard is de Koh-i-Noor niet de zeldzaamste. Wat de grootte aangaat overtreft de Cullinan de "Berg van Licht", maar het is wel een vaststaand feit dat deze laatste de bekendste diamant ter wereld is en een grootse geschiedenis in zich bergt.
Laat een reactie achter
Lid sinds 7 maanden
3 reacties geplaatst
7 artikelen beoordeeld
5 artikelen geschreven
Gerelateerde artikelen
hardness beveelt aan
- Joods-christelijk tradities - waar hebben we het over?
- Mijn borsten
- Gezocht potloodventer voor kunstproject.
- Hoogste tijd om me even voor te stellen! Emila is mijn naam....
- De penis, belangrijke weetjes.
- Hoe verdien je geld met je fotowerk.
- De seksuele fantasie van een gewone huisvrouw

Easy sale bij Wehkamp Tot 40% korting.







Karazmin schreef op 27 Jan 2012 om 19:21
fascinerende materie