Easy sale bij Wehkamp Tot 40% korting.
http://www.wehkamp.nl/sale/

De vrouwen en het lijk, een kort verhaal

De vrouwen en het lijk
Ze waren met zijn vijven. Vijf vrouwen die kreunend, jammerend en huilend onder hun peervormige blauwe boerka's een smal stoffig pad volgden. Een oneindig lang pad dat door struiken langs boerderijen en boomgaarden leidde en zou eindigen in een vallei bij de voet van een onmetelijke berg.
Het was een hete zomermiddag. De zon scheen krachtig en loodrecht op de aarde. Het leek alsof de vrouwen steeds over hun eigen schaduwbeelden heen stapten, terwijl die hen onder bij hun voeten vasthielden. De boerderijen en huizen langs de weg waren nagenoeg allemaal door de Russen verwoest tijdens bombardementen vanuit hun helikopters en door kanonschoten van de regeringstroepen.
Het dorp leek uitgestorven. Alle bewoners waren naar de stad verhuisd of gevlucht naar de buurlanden. Hier en daar liet zich nog een enkeling zien. Een bejaarde man of vrouw die in één van de weinig overgebleven boerderijtjes was achtergebleven en nu op het land werkte of iemand die onderweg was naar de stad.
Na bijna anderhalf uur te hebben gelopen kwamen de vrouwen bij een waterbron aan. Ze zetten zich neer onder een oude walnotenboom, die er vlak voor stond om even uit te rusten en wat te drinken. Nadat ze eerst onderzoekend om zich heen hadden gekeken of er niemand – in elk geval geen man – in de buurt was, sloegen ze de voorkant van hun boerka’s terug over hun hoofd, zodat hun gezichten werden ontbloot en ze frisse lucht konden ademen. Ze wasten hun handen, dronken een beetje water en verfristen hun gezicht. De vrouwen zaten een tijdlang zwijgend naast elkaar. Geen van hen leek van plan te zijn iets te zeggen of misschien hadden ze elkaar ook niets te zeggen. Af en toe werd deze beklemmende stilte door het gezang van vogels onderbroken.
Maryam zat met haar hand onder het hoofd naar de waterbron te staren, terwijl haar tranen onafgebroken over haar wangen stroomden. Net als het koude schone water dat dag en nacht uit de grond kwam en over de dorstige grond vloeide. Haar tante die naast haar zat gaf haar een handdoek, troostte haar en zei dat ze niet moest huilen maar dat het misschien beter zou zijn om te bidden voor haar zoon. Maryam liet de rand van haar boerka, die ze al die tijd had vastgehouden, los, stak haar hand uit, pakte de handdoek aan, maar zonder haar tranen af te vegen hield zij deze tussen haar vingers geklemd. Misschien drong het niet eens tot haar door waarom zij de handdoek had gekregen. Omdat ze er wel met haar lichaam, maar niet met haar gedachten bij was.
Tussen de vrouwen heerste wederom een doodse stilte. Haar tante en nog drie andere vrouwen, die verre familie leken te zijn, keken strak naar Maryam, die met haar ogen het water dat uit de grond kwam, bleef volgen. Het waterstroompje dat zand rondom zich als een fonteintje omhoog gooide om zijn weg vrij te maken terwijl het na een centimeter of twee naar boven te zijn geduwd, weer belandde in het gaatje waaruit het water omhoog kwam. Het deed haar denken aan de vicieuze cirkel van het leven en dood, waarmee de mensheid te kampen heeft. Ze dacht weer aan haar zoon, aan zijn geboortedag en het moment dat haar weeën waren begonnen, aan zijn achttien jaar leven dat nu achttien minuten leek. En nu aan de pijn van zijn dood, de dood dat hem net als het zand had opgezogen.
Ineens hoorden ze vaag vanuit de verte, uit een niet te bepalen richting, een mannenstem. Ze luisterden aandachtig. Hij zong en kwam steeds dichterbij. Vervolgens hoorden ze ook een balkende ezel. Ze keken elkaar aan en lieten meteen hun boerka’s terugglijden over hun hoofd zodat de in aantocht zijnde man hun gezicht niet zou kunnen zien. Het duurde niet lang voordat de man verscheen en zingend op zijn muilezel naar hen toe kwam. Ook dichterbij gekomen bleef hij uit volle borst zingen, terwijl hij met zijn wandelstok zachtjes op de achterpoot van zijn ezel sloeg om hem naar de waterbron te leiden. Hij was oud, droeg een witte tulband en had een lange grijze baard. Misschien was hij op deze manier van zijn oude dag aan het genieten. Maar toen hij de vrouwen zag, stopte hij met zingen, groette hen en stapte van zijn muilezel af. De vrouwen groetten hem terug.
“Zijn jullie uit de stad gekomen?” vroeg hij zonder hen aan te kijken, terwijl hij zijn ezel dicht bij het water bracht om hem te laten drinken.
“Ja, wij komen uit de stad”, antwoordde Maryams tante.
“Wat heeft jullie hierheen gebracht, naar deze gevaarlijke omgeving en dan ook nog zonder mannelijke begeleiding?”
“Mijn zoon,” jammerde Maryam, “mijn zoon heeft mij hier gebracht, ik zoek mijn zoon, zijn lijk en zijn graf!” snikte ze. Ze sloeg de voorkant van haar boerka terug en zei: “Je zou mijn vader kunnen zijn, ik hoef mijn gezicht niet te bedekken voor jou, want ik brand van binnen als een oven, vergeef mij alsjeblieft, vader!”
De man die nu zijn handen aan het wassen was, schudde zijn hoofd, stamelde wat onverstaanbaars zonder verder nog iets tegen de vrouwen te zeggen. Maryam vroeg hem of hij hen misschien kon helpen en de weg kon wijzen. “God moge jullie helpen, mijn dochter! Hij is de ware helper en beschermer van Zijn schepsels. Waar willen jullie naartoe en wat kan ik voor jullie doen?”
“Wij weten niet waar wij naar toe moeten, vader!”
“Was je zoon Mudjahid (rebel)?”
“Nee, vader!”
“Officier, bij de overheid?”
“Ook niet,” zei Maryam beslist, hij was net achttien, hij had nog geen snor en baard, hij was nog een kind, vader! God moge ze naar de hel sturen, ze hebben hem drie maanden geleden uit mij huis opgepakt en meegenomen.” Ze hebben mijn buik met een mes opengescheurd, mijn kind eruit gehaald en meegenomen, wilde ze zeggen. Maar ze hield zich in terwijl ze dacht aan de nachtmerrie die zij afgelopen nacht had gehad. Ze was wakker geschrokken toen ze droomde dat zij, toen ze zwanger was van haar eerste zoon, door een groep wilde mannen werd aangevallen, die vervolgens haar buik met een mes openscheurden, haar kind er uit haalden, hem in stukken sneden en die aan elkaar uitdeelden.
“Wie? De Mujahedin?”
“Nee, niet de Mujahedin, de huiszoekingsgroepen van de regering,” antwoordde Maryam. Terwijl ze dit zei, moest ze denken aan het moment dat zij haar zoon hadden aangehouden. Precies drie maanden geleden, op een vroege ochtend, toen haar kinderen nog sliepen, werd er op de deur geklopt. Toen kwam er een groep militairen binnen die zeiden op zoek te zijn naar jonge mannen tussen achttien en veertig jaar oud. Zij zag die man met grote snor, waarschijnlijk hun commandant, voor zich de broekspijp van haar zoon omhoog trekken en tegen haar zeggen dat de benen van haar zoon zelfs meer behaard waren dan die van zijn vader. Dat haar zoon geen kind meer was zoals zij beweerde. Dat hij volwassen genoeg was om in militaire dienst te gaan en zijn vaderland te verdedigen. Terwijl zijn zoekende ogen onafgebroken gericht waren op haar wijde kraag, wachtend op een geschikt moment om onder haar jurk te kunnen glijden.
De oude man schudde weer zijn hoofd terwijl hij iets binnensmonds mompelde. Hij beloofde dat hij hen zou helpen met het zoeken van het graf van de zoon en eventueel met het overbrengen van het lijk op zijn ezel naar de stad. Maryam en haar tante bedankten hem en zeiden dat ze de jongen graag naast het graf van hun vader zouden begraven. “Ja, dat kan, als God het wil, Hij is almachtig, tenzij ze hem definitief hebben begraven. Ik zal ook proberen nog wat andere mannen te halen voor hulp. Zijn er helemaal geen mannen met jullie meegekomen? De vader van je zoon ook niet?” vroeg de oude man.
“Nee, hij is er niet meer, zij hebben hem twee jaar geleden opgepakt en gevangen gezet. Sindsdien hebben wij geen teken van leven noch van zijn dood gehad,” antwoordde Maryam snikkend, “en de mannen van mijn familie durfden niet mee te komen omdat zij, de Mudjahedin, hebben gewaarschuwd dat niemand mocht komen voor het lijk van mijn zoon. Geen enkele man.
De oude man pakte zijn wandelstok, kwam overeind, wees met de punt van zijn stok richting de weg en zei tegen Maryam: “Volg dit pad totdat jullie bij een klein riviertje aankomen en steek die over. Daarachter bevindt zich het bolwerk van de Mujahedin.” Hij stapte daarna weer op zijn muilezel en sloeg een klein zijpaadje richting een half gesloopt huis in. Toen hij uit het zicht verdwenen was, begon hij weer te zingen terwijl zijn ogen gesloten waren en sloeg met beide voeten zachtjes tegen de buik van zijn ezel, alsof zijn hele wereld bestond uit zingen, zijn muilezel en zijn wandelstok.
Maryam dronk weer een slokje van het water, gooide ook een klein beetje in haar gezicht en toen vertrokken ze, richting de vallei waar haar zoon begraven zou liggen. Nadat zij het riviertje waren overgestoken, kwamen ze, zoals de oude man had gezegd, de Mudjahedin tegen. Veelal jonge jongens, maar ook volwassen mannen met lange los wapperende haren en baarden, die met een geweer hangend op hun schouders rondliepen. “Wat doen jullie hier, moeder?” vroeg één van de jongens die een raketwerper op zijn rug droeg.
“Wij willen graag de commandant spreken.” antwoordde Maryams tante.
“De commandant spreken? Wie zijn jullie? Zijn jullie familie? En wat willen jullie met hem?”
“Nee, wij zijn geen familie. We zijn opzoek naar mijn zoon”, zie Maryam.
“Je zoon? Is hij Mudjahid?”
“Nee, haar zoon was soldaat,” nam Maryams tante het gesprek weer over toen zij zag dat haar nicht op het punt stond om in huilen uit te barsten. “Hij is niet vrijwillig gegaan, mijn zoon! Maar die honden van de regering hebben hem van huis opgepakt en hiernaartoe gestuurd.”
“Is hij hier gevangen genomen?”
“Ja, hij was gevangen, maar hij is nu dood, we zijn op zoek naar zijn graf.”
“Hoe heet hij?”
“Nasrat” antwoordde Maryam.
Hij riep één van zijn vrienden, die iets ouder leek te zijn dan hij en fluisterde iets in diens oor. De laatste dacht een ogenblik na en fluisterde iets terug terwijl op zijn gezicht een glimlach verscheen. Vervolgens zei hij tegen Maryam dat zij het graf zouden opzoeken en daarna zo spoedig terug zouden komen. “Was je zoon ook communist? Een afvallige?”, vroeg de jonge man.
“Ik zou niet eens weten wat een communist is, mijn zoon”, zei haar tante. ‘hij had net zijn school afgemaakt en wilde vluchten naar Pakistan toen ze hem hebben opgepakt.”
“Dat weet je wel, moeder! Iedereen weet wat een communist is,” zei hij lacherig. “Een ongelovig iemand, een handlanger van de bezetters en een verrader van het vaderland. Als hij dat niet geweest was, was hij bij onze andere broeders terechtgekomen en had met hen tegen de bezetters gevochten.” Maryam begon hardop te huilen en zei dat haar zoon onschuldig was, maar hij keek haar met ongeloof aan, terwijl er opnieuw een brede grijns op zijn gezicht verscheen.
Maryam dacht weer aan die militair, de man die haar zoon had aangehouden en bijna hetzelfde tegen haar had gezegd. Haar zoon zou een lafaard zijn omdat hij zich had verstopt, terwijl hij hoorde te vechten tegen de vijanden van het vaderland.
Toen op een vroege ochtend de Mujahedin het militaire konvooi hadden aangevallen waren er veel doden gevallen aan de kant van de regering. Ook hadden ze een aantal soldaten gevangen genomen, waaronder Nasrat de zoon van Maryam. Maar later op die dag toen zij terugkeerden waren er door een tegenaanval van de Russische helikopters talloze leden van de Mujahedin en ook hun gevangenen omgekomen. Ook de broer van de commandant van de rebellen was bij deze aanval gesneuveld. Meestal werden de gevangenen goed behandeld, maar deze keer toen de commandant hoorde dat zijn eigen broer was gedood, werd hij door verdriet en woede overmand en uit wraak had hij de drie overgebleven gevangenen één voor één neer laten schieten. Eén van de drie was Maryams zoon.
Bijna een uur hadden de vrouwen onder de schaduw van een oude boom gezeten toen de bebaarde man terug kwam, met nog een paar andere jonge mannen. Ondertussen had ook de oude man met zijn ezel zich weer bij hen gevoegd. “Wij hebben het graf van je zoon gevonden, jullie hoeven niet naar de commandant te gaan, en wij - hij wees met zijn hoofd naar zijn vrienden - zullen jullie helpen het lijk van je zoon mee te nemen.”
Hoe verdrietig het ook was, de vrouwen voelden zich enigszins opgelucht, maar ze begrepen niet waarom die mannen zo stiekem hadden staan te lachen en wat zij in elkaars oor hadden gefluisterd. De oude man die had beloofd dat hij hen met het overbrengen van het lijk zou helpen was verbaasd toen hij die jongens zo hoorde praten, want een andere bewoner van het dorp had tegen hem gezegd dat ze alle drie lijken in een oude diepe put hadden gegooid en er een brief hadden neergelegd met de tekst: Wie deze onreine lijken van afvalligen uit de put probeert te halen, zal zelf een plaats naast hen krijgen.
Maryam keerde haar hoofd naar de oude man en door het gaasvenster in haar boerka keek ze hem vragend aan. Hij wist niet wat hij tegen haar moest zeggen, moest hij haar hiervan op de hoogte brengen, of niets laten blijken en dit voor haar achterhouden? Hij bleef een tijdje zwijgen terwijl Maryam nog steeds afwachtend naar hem keek. Hij wist niet wie hij moest geloven, deze jongens die zeiden dat ze wisten waar de zoon begraven lag en zelfs bereid waren de vrouwen te helpen met het overbrengen van het lijk, of die andere man die hij heel goed kende en hem geloofwaardig leek te zijn. Na een lange aarzeling zei hij tegen Maryam dat het nu te laat was en dat er morgen vroeg ook nog andere mannen zouden komen om hem te helpen. Hij wilde eigenlijk zo nog wat meer tijd krijgen om beter navraag te kunnen doen.
Maar de jonge mannen drongen aan. Voor hen was het niet te laat, ze zouden het lijk in een auto zetten en overbrengen. Ze hadden zelfs een kist klaar staan. Niet alleen de oude man maar ook de vrouwen waren verbaasd en wisten niet wat ze moesten doen. Maryam twijfelde ook en vroeg zich af of het verstandig was en of zij zelf wel in staat waren het lijk mee te nemen naar de stad. Maar uiteindelijk gaven ze toe - de oude man en ook de vrouwen - met de gedachte dat ze nu het graf zouden gaan bezoeken en dan pas op dat moment zouden hoeven te beslissen.
Ze volgden de mannen. Na een paar honderd meter te hebben gelopen wees één van de mannen met de loop van zijn geweer naar een hoge oude boom en zei dat daaronder de zoon lag begraven. De oude man zag vanuit zijn ooghoek hoe hij, toen hij dit vertelde, zijn lach achter een voor de mond gehouden hand verborg, maar hij begreep er niets van. Toen ze onder die boom aankwamen begonnen ze gillend te huilen. Maryam en haar tante sloegen hard op hun hoofd en trokken hun haren uit, terwijl de andere drie vrouwen probeerden hun handen vast te houden. Ze huilden zonder zich af te vragen waarom zij de zoon hier in een boomgaard hadden begraven en niet op een begraafplaats.
Ook de oude man die met zijn wandelstok in zijn hand iets verder van het graf op een steen zat en naar de rouwende vrouwen keek, had niet opgemerkt dat de grond rondom het graf vochtig was. Het duurde een half uur voordat ze tot rust kwamen en op hielden te huilen. Toen kwamen twee jonge mannen met een schop in hun handen, stuurden de vrouwen bij het graf weg en begonnen rondom te graven. Het duurde nog geen vijf minuten toen ze zich over het openliggende gat bogen, allebei met hun beide handen iets vast pakten, het uit de grond trokken en naast het graf legden.
Ineens begonnen de vrouwen luidkeels te huilen en op hun gezichten te slaan. “Een hond, een dode hond!,” riepen ze. “Wat kan er gebeurd zijn?” vroeg de man met de raketwerper op zijn rug. “Wij begrijpen dit ook niet. God weet het misschien wel, maar wij hadden hem hier, precies hier begraven,” zei hij terwijl hij zijn best deed om niet in lachen uit te barsten.
Toen kwam een andere bewapende en bebaarde man naar voren en zei met een uitgestreken gezicht: “God heeft aldus besloten. Wij mensen zijn niets. Hij is almachtig, wat wij ook proberen te doen, Hij doet Zijn eigen werk. Hij was het lijk van een onreine afvallige landverrader en de vijand van God. God heeft hem veranderd in een hond en zo heeft Hij zijn ware gezicht aan ons laten zien. Hij was al een hond van binnen, zoals alle andere ongelovigen en communisten. Maar wij konden het niet zien, alleen God zag het. En nu heeft Hij het ook aan ons laten zien. Het is een les, voor ons allemaal en ook voor die moeders die hun zonen als handlangers van de bezetters hebben laten werken.”
Maar voordat hij zijn preek af kon maken waren de vrouwen al weggerend, ze huilden, ze gilden, ze schreeuwden en sloegen op hun hoofden totdat ze in hun blauwe boerka’s gehuld achter de horizon verdwenen.

5
Word fan
Delen
Ongewenst

Laat een reactie achter

+0 -0- x

arcade2202 schreef op 05 Feb 2012 om 02:29

Mooi geschreven, kiipenvelDuim en Fan erbij !

+0 -0- x

arcade2202 schreef op 05 Feb 2012 om 02:29

Oh , ik was al fan !

+0 -0- x

verbijsterend62 schreef op 05 Feb 2012 om 06:14

Wat geweldig geschreven weer, prachtige beelden,de sfeer en de cultuur zo mooi weergegeven, schitterend!

+0 -0- x

Kirsti schreef op 05 Feb 2012 om 08:13

Prachtig geschreven dit trieste verhaal!

+0 -0- x

rahim00 schreef op 05 Feb 2012 om 09:35

bedankt allemaal voor mooi complimenten.

+0 -0- x

Karazmin schreef op 05 Feb 2012 om 10:20

wat kan jij dit alles mooi onder woorden brengen, zeg. Het was huiveringwekkend en bijna voelbaar

+0 -0- x

stormerwout schreef op 10 Feb 2012 om 13:43

Er mooi geschreven dit stuk. Als tip zou ik zeggen: pas de titel aan. Die past echt niet bij zo'n mooi indringend stuk als dit! ;-)

Reageren?

Registreer of log in om te reageren op een artikel.
Dit artikel bevat:
Toelichting: